Christen Gemeenten van God
[137]
Het meten van de Tempel
[137]
(Uitgave
1.2 19970716-19970716)Dit artikel is een uitgebreide uiteenzetting van het meten van de Tempel Gods en de profetieën die betrekking hebben op Israël en de naties over de laatste fase van dertig jaar tot aan het begin van het duizendjarig rijk. De verwijdering van de drie standen leiders, namelijk de Priesters, Profeten en Vorsten wordt besproken. Het oordeel van de schapen met betrekking tot de wijze waarop zij elkaar behandelen is centraal in de laatste fase van het meten. De gelijkenis van de schapen en bokken wordt misschien uit deze tekst beter begrepen. Het artikel houdt ook verband met het begrijpen van De getuigen [135] en De waarschuwing van het laatst der dagen alsmede de oorlogen van het einde.
Christian Churches of God
P.O. Box 369, WODEN ACT 2606, AUSTRALIA
E-mail:
secretary@ccg.org(Copyright ã 1995, Wade Cox)
Dit artikel mag kosteloos gekopieerd en verspreid worden, mits het in zijn geheel weergegeven wordt, zonder veranderingen of weglatingen. De naam van de uitgever en het kopijrecht moeten vermeld zijn. Geen betaling mag verlangd worden van hen die de kopieën ontvangen. Korte aanhalingen zijn toegestaan in recensies en overzichten zonder het kopijrecht te schenden.
Dit artikel is te verkrijgen van het Wereld Wijde Web pagina:
http://www.logon.org en http://www.ccg.org
Het meten van de Tempel [137]
Deel 1 Inleiding
Het meten van de Tempel wordt genoemd in Openbaring 11:1-2.
Openbaring 11:1-2 1 Nu werd mij een riet, aan een roede gelijk, gegeven met de woorden: Sta op en meet den Tempel Gods, het altaar en hen die daar aanbidden. 2 Maar zonder het buitenste voorhof van den Tempel uit en meet dat niet; want het is overgeleverd aan de heidenen, die de heilige stad twee en veertig maanden zullen vertreden. (LEI)
Deze bijzondere gebeurtenis van het meten van de Tempel vindt plaats in het laatst der dagen voorafgaande aan het optreden van de twee getuigen, die genoemd worden in Openbaring 11:3 e.v.
Openbaring 11:3-4 3 En Ik zal aan mijn twee getuigen de gelegenheid geven twaalfhonderd zestig dagen lang, in rouwgewaad gekleed, te profeteren. 4 Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaars, die voor den Heer der aarde staan. (LEI)
Dit meten van de Tempel vindt plaats in overeenstemming met een reeks gebeurtenissen die voorafgaan aan een tijdspanne van 1.260 dagen of vierentwintig maanden. Beide hebben dezelfde tijdsduur, maar worden verschillend benoemd. Wij kunnen hieruit dus opmaken dat twee perioden bedoeld worden. Het blijkt dat wij te maken hebben met twee verschillende tijdspannen in de teksten van Openbaring, één op een dag voor een jaar basis, die de 1.260 jaar verdrukking weergeeft, en de andere minder feitelijke periode van drie en een half jaar. De periode van de getuigen wordt gegeven als 1.260 dagen, gekleed in rouwgewaad, en deze tijd is gelijk aan de tijd dat de voorhof van de Tempel met de voeten getreden wordt, tezamen met de heilige stad, die Jeruzalem is.
Deze periode brengt twee profeten met zich mee, die zorgen dat het tijdens hun profetie niet meer regent, en zij profeteren in rouwgewaad voor een tijd van drie en een half jaar.
Openbaring 11:5-14 5 Wil iemand hun kwaad doen, dan komt vuur uit hun mond en verteert hun vijanden; wil iemand hun kwaad doen, dan moet hij zo gedood worden. 6 Zij hebben de macht om den hemel te sluiten, zodat geen regen valt in de dagen waarin zij profeteren; ook hebben zij de macht om de wateren in bloed te veranderen en het land met allerlei plagen te slaan zo vaak zij willen. 7 En wanneer zij hun getuigenis ten einde gebracht hebben, zal het Beest dat uit den Afgrond opkomt tegen hen oorlog voeren, hen overwinnen en hen doden; 8 hun lijken zullen liggen op het plein der grote stad die figuurlijk Sodom en Egypte heet, waar ook hun Heer gekruisigd is. 9 En mensen uit allerlei volken, stammen, talen en natiën zullen hun lijken drie en een halven dag zien liggen zonder toe te laten dat ze begraven worden. 10 Ja, de bewoners der aarde zullen zich over hen verheugen, feestvieren en elkander geschenken zenden; want die twee profeten hadden de bewoners der aarde gepijnigd. 11 En na drie en een halven dag kwam een levensgeest van God in hen en stonden zij op hun voeten; en grote vrees viel op hen die hen zagen. 12 Zij hoorden toen een luide stem uit den hemel tot hen roepen: Stijgt hierheen op! En in een wolk stegen zij ten hemel, terwijl hun vijanden hen zagen. 13 Te dier ure ontstond een grote aardbeving, het tiende deel der stad viel om, en door die aardbeving werden zevenduizend mensen gedood; toen werden de overigen bevreesd en gaven eer aan den God des hemels. 14 Zo is het tweede wee voorbijgegaan; zie, het derde komt welhaast. (LEI)
Uit deze tekst kunnen een aantal zaken vastgesteld worden. Ten eerste dat de getuigen niet gedood kunnen worden, totdat zij hun taak beëindigd hebben. De getuigen staan tegenover de god van de aarde, die Satan is (2Korintiërs 4:4). Dus zij moeten tegen hem en tegen de wereldordening getuigen. Degenen, die trachten hen te doden zullen op gelijke manier gedood worden. Dit is de macht van Elia. Elia had de macht om vuur uit de hemel te doen neerdalen tegen de priesters van valse goden (1Koningen 18:1-46) en degenen die hem wilden doden (2Koningen 1:10-15) of in feite hem geen eerbied toonden als Gods aangewezen boodschapper (2Koningen 2:23-24) zoals het geval was met Elisa. Elia had de macht over water en regen, net als Elisa (2Koningen 2:8, 19-22). De hemel wordt toegesloten vanwege de zonde van het volk, bewezen bij monde van twee getuigen (1Koningen 8:35; overeenkomstig Leviticus 26:19; Deuteronomium 11:17.
Elia sloot de hemel toe overeenkomstig zijn woord.
1Koningen 17:1 1 Toen zeide de Tisbiet Elia, uit Tisbe in Gilead, tot Achab: Zo waar de Here de God van Israël, leeft, in wiens dienst ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij dan op mijn woord. (NBG)
De herkomst van de getuigen wordt besproken en het artikel De Getuigen [135]. Wij noemen alleen de belangrijke punten. Elia was een Gileadiet. Gilead was een groep of familie in het gebied van Gad (1Kronieken 3:14), die woonden in Gilead. Zij woonden ten oosten van de Jordaan. Zij hadden hun woonplaats temidden van zowel Efraïm als Manasse, met wie zij gevochten hebben onder Jefta (Richteren 11:4). De naam Gilead is zeer waarschijnlijk afkomstig van de naam ruig land dat grensde aan de vruchtbare vlakten van Basan. Het gebied werd in het zuiden begrensd door de Arnon, in het westen door het Jordaandal, in het oosten door de loop van de Jabok van zuid naar noord en de woestijn, en in het noorden door de grens met Basan, een paar kilometer ten noorden van de Jarmoek. Het erfdeel van Gad was een ruiger land dan dat van Manasse. Het erfdeel van beiden lag buiten het eigenlijke Palestina aan de andere kant van de Jordaan. The Interpreter’s Dictionary of the Bible zegt dat Gilead blijkbaar een stam was, die parallel aan Ruben en Dan was en gelijkwaardig aan Gad. In de ruimste betekenis strekte deze zich verder uit naar het noorden in Basan en zelfs voorbij de Jarmoek. Door deze vaagheid wordt het gebied van Manasse genoemd als zou het soms zich uitstrekken in Gilead. Het zijn echter de twee stammen Ruben en Gad, die hier gevestigd waren. Het schijnt dat er een onafhankelijk koninkrijk in Gilead gevestigd werd in Gilead onder Pekah, de zoon van Remaljahu, in de twintig jaar die hem toebedeeld waren voor zijn koningschap in 2Koningen 15:27. Dit schijnt gebeurd te zijn omstreeks 750 BCE in het laatste deel van de regering van Jerobeam II. Hij regeerde daar tot 735 BCE. Hij vermoordde zijn voorganger met de hulp van de Gileadieten (2Koningen 15:25). Hij trachtte toen al de omliggende streken te verenigen tegen Assyrië. De Assyriërs versloegen hem en voerden de gehele Israëlitische bevolking van Gilead weg in ballingschap (2Koningen 15:29) en sinds die tijd was het niet langer meer een deel van het koninkrijk. Dit idee van het verstrooide geboorterecht is ook van toepassing in het laatst der dagen.
Zo wordt gezien dat Elia een Gadiet is, afkomstig uit dat erfdeel van Israël dat over de Jordaan ligt. Dit is van betekenis voor het laatst der dagen, wanneer wij aannemen dat de symboliek van het erfdeel buiten Israël betekenis heeft voor de getuigen en de toewijzing van de stammen, waarbij ten minste vier van hen (Ruben, Gad, Manasse en Dan) hun erfdeel buiten Palestina hebben, en in samenhang met Efraïm. Simeon is ook onder hen verspreid.
Uit de macht, die aan Elia gegeven werd over droogte, vuur en de elementen, kunnen wij zien dat de getuigen dus in de kracht van Elia zijn, als beloofd in Maleachi 4:5-6.
Maleachi 4:5-6 5 Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt. 6 Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban. (NBG)
De macht van de profeet ligt niet alleen in het verrichten van wonderen maar heeft ook te doen met het herstel van de gezinsbanden op aarde, zodat deze behouden blijven.
Johannes de Doper was een voorloper van deze profeet, maar hij was niet die profeet.
Matteüs 11:12-14 12 Van de dagen van Johannes den Doper af tot nu toe wordt stormgelopen op het Koninkrijk der hemelen, en bestormers grijpen er met geweld naar. 13 Want alle profetieën en de Wet profeteerden tot Johannes. 14 En, indien gij het wilt aannemen, hij is Elia, die zou komen. (LEI)
Dus Johannes was Elia, zijnde in de geest van Elia, maar toch zou er nog een andere komen, die ook in de geest zou zijn van die profeet (zie ook Markus 9:11-13).
Matteüs 17:10-12 10 En zijn leerlingen vroegen hem: Wat zeggen dan de schriftgeleerden dat Elia vooraf komen moet? 11 Hij gaf hun ten antwoord: Elia komt wel en zal alles herstellen. 12 Maar ik zeg u dat Elia reeds gekomen is, en men heeft hem niet erkend, maar met hem gedaan al wat men goedvond. Zo zal ook de Mensenzoon door hen lijden. (LEI)
Het herstel van alle dingen zal onder die ordening van het laatst der dagen geschieden. De getuigen hebben deze macht. Elia is of één van deze getuigen en hij wordt vergezeld door een ander om in Jeruzalem te staan, of de getuigen oefenen dezelfde macht in het laatst der dagen uit. Het wereldrijk van het beest wordt dan toegelaten om hen te vermoorden, nadat zij hun profetie vervuld hebben. Hun lijken zal men drie en een halve dag in de straten laten liggen.
Deze getuigen zullen dezelfde handelingen verrichten als Mozes in Egypte. De plagen die Mozes Egypte oplegde waren om met hun geestelijke ordening af te rekenen op een fysiek vlak: de getuigen rekenen af met de ordening van het laatst der dagen. Deze handeling werd ook door Elia verricht, toen hij getuigde tegen de valse godsdienst binnen Israël. Dus de getuigen prediken tegen valse religie zowel in Israël als onder de natiën. De opeenvolging van hun profetie en draagwijdte ervan zal later behandeld worden. Deze twee mensen die de macht van Mozes en Elia zullen uitoefenen moeten nog hun plaats innemen. Uit de noodzaak van hun profetie is het dus duidelijk dat er een beduidende valse religie zal zijn in Israël en de naties in die dagen. Uit Jeremia 4:15 e.v. wordt afgeleid dat er een profeet is, die de getuigen vooraf gaat, die de volken waarschuwt voor de komst van de Messias. De vernietiging van de naties is eigen aan de macht van de getuigen, maar wordt nog niet volledig uitgeoefend tot Messias komt. Het werk van deze profeet van het laatst der dagen wordt uitgeoefend vanuit Dan-Efraïm. Uit de niet bijbelse profetieën blijkt het dat deze profeet door de heersende stroming van de godsdienstig religieuze ordening de Antichrist of de Danitische Antichrist genoemd zal worden. Dat komt omdat deze profeet het valse Christendom veroordeelt en het herstel predikt van de bijbelse ordening en de wederkomst van Messias om vanuit Jeruzalem te regeren. Deze profetieën zullen elders bestudeerd worden.
Voordat dit gebeurt, moet eerst de volgorde in Openbaring 11:1-2 hebben plaats gevonden. Deze komt naar voren in de profetie van het Oude en Nieuwe Testament. Het meten van de Tempel gaat vooraf aan het meten van de natie Israël. De natie wordt hier voorgesteld als de buitenhof, die aan de heidenen overgegeven wordt om deze met de voeten te vertreden, drieëneenhalf jaar lang. Het meten van de Tempel gaat dus vooraf aan de drieëneenhalf jaar van de getuigen uit Openbaring 11:3 e.v. en wordt opgenoemd in Zacharia.
Het meten van zowel Juda als Jozef gebeurt in die tijd en de herders van beide zijn verontrust en maken zich schuldig aan de wrake Gods.
Zacharia 10:1-12 1 Vraagt van de HERE regen ten tijde van de late regen. De HERE maakt de bliksemschichten; een stortregen zal Hij hun geven, voor iedereen gewas op het veld. 2 Want de terafim spreken ijdelheid, de waarzeggers schouwen leugen, bedrieglijke dromen spreken zij, nietswaardige troost bieden zij. Daarom trekken zij voort als een kudde die in nood is, omdat zij geen herder heeft. 3 Tegen de herders is mijn toorn ontbrand, en aan de bokken zal Ik bezoeking doen; maar de HERE der heerscharen bezoekt zijn kudde, het huis van Juda, en maakt hen als zijn prachtig ros in de strijd. 4 Uit hen komt de hoeksteen, uit hen de tentpin, uit hen de strijdboog, uit hen komen alle machthebbers tezamen voort, 5 en zij zijn als helden, die door het slijk der straten treden in de strijd; ja, zij strijden, omdat de HERE met hen is, maar die op paarden rijden, komen beschaamd te staan. 6 Zo zal Ik het huis van Juda sterken en het huis van Jozef verlossen; ja, Ik zal hen terugbrengen, omdat Ik Mij over hen ontferm, en zij zullen worden, alsof Ik hen niet verworpen had. Want Ik ben de HERE, hun God, en Ik zal hen verhoren. 7 Dan zullen zij zijn als een held van Efraïm, en hun hart zal zich verheugen als van wijn; ook zullen hun zonen het aanschouwen en zich verheugen, hun hart zal jubelen in de HERE. 8 Ik zal hen tot Mij fluiten en hen vergaderen, want Ik bevrijd hen, en zij zullen even talrijk worden als zij waren. 9 Wel zaai Ik hen onder de volken, maar in verre streken zullen zij aan Mij denken; zo zullen zij leven met hun kinderen, en terugkeren. 10 Ja, Ik zal hen terugbrengen uit het land Egypte, en hen uit Assur vergaderen; Ik zal hen brengen naar het land Gilead en de Libanon; doch dit zal voor hen niet toereikend zijn. 11 Dan zal men in benauwdheid door de zee trekken, en in de zee de golven slaan; en alle diepten van de Nijl zullen uitdrogen. Zo zal de trots van Assur neerstorten, en de scepter van Egypte zal verdwijnen. 12 Ik zal hen sterken in de HERE, en in zijn naam zullen zij wandelen, luidt het woord des HEREN. (NBG)
De benauwdheid der herders zal later gebeuren, net als de verstrooiing van Israël, zowel Efraïm als Juda. De doortocht is door de zee der benauwdheid (een stijlfiguur volgens de Companion Bible, in de betekenis van geweldig grote benauwdheid). Dit vindt plaats om zowel Juda als Israël te vestigen als machten onder de naties in het laatst der dagen. Zij zullen tot berouw gebracht worden en zij zullen terugkeren tot de Here onder de naties, en zij zullen hersteld worden in Jeruzalem en hun erfdeel. Hun aantal zal toenemen, zoals het toegenomen had. De rivier die opdroogt is het bekken van de Tigris-Eufraat. Dit feit geeft de vernietiging aan van de ordening van het noordelijke rijk en van die van Egypte. Dit gebeuren maakt dan plaats voor de koningen van het oosten om door te trekken en naar Jeruzalem op te trekken.
Dit gebeuren heeft betrekking op het noordelijke koninkrijk zoals wij zagen uit 2Koningen 19:21-28 (in het bijzonder vers 24). Dit is geprofeteerd in Openbaring 16:12.
Openbaring 16:12 16 De zesde goot zijn schaal uit over de Grote Rivier, den Eufraat, en haar water droogde op, zodat de weg gebaand was voor de koningen die van het Oosten kwamen. (LEI)
Het gebeuren van het opdrogen van de rivier betekent niet een langdurige droogte. Hetzelfde gebeurde met de Rode Zee, zoals wij zien in Psalm 106:9.
Psalmen 106:9 9 Hij dreigde de Schelfzee, en zij verdroogde, Hij deed hen gaan door de waterdiepten als door een woestijn. (NBG)
Dus de weg werd opengelegd voor de strijdkrachten uit het oosten om op te trekken door wat nu Irak en misschien Iran is.
Voordat het proces kan plaats vinden om de naties te verzamelen voor het oordeel, moet de natie Israël gereinigd worden.
De drie jaar durende tijd van beproeving en verlossing wordt ook gevonden in 2Koningen 19:29-30. Dit slaat ook op de Holocaust.
2Koningen 19:29-30 29 En dit zal u het teken zijn: gij zult dit jaar eten wat vanzelf opkomt en in het tweede jaar wat nawast; maar zaait in het derde jaar en oogst, plant wijngaarden, en eet de vrucht daarvan. 30 Immers wat van het huis van Juda ontkomen is, wat over is, dat zal opnieuw naar beneden wortel schieten en naar boven vrucht dragen. (NBG)
Het meten en de benauwdheid van de herders zal voorafgaan aan die van het volk. Echter, Juda en Israël strijden beiden als helden in het laatst der dagen. Hoe dit mogelijk gemaakt wordt, zal later gezien worden.
Het meten begint bij het Huis Gods.
Ezechiël 9:1-4 1 Toen riep Hij met luider stem te mijnen aanhoren: Treedt nader, gij, die aan de stad de straf voltrekken moet, ieder met zijn verdelgingswapen in de hand! 2 En zie, zes mannen kwamen van de kant van de Bovenpoort, die op het noorden uitziet, ieder met zijn vernietigingswapen in de hand, en een man onder hen was in linnen gekleed en droeg een schrijfkoker aan zijn zijde; zij kwamen nader en gingen staan naast het koperen altaar. 3 De heerlijkheid van de God van Israëls nu had zich opgeheven van de cherub waarop zij rustte, en zich begeven naar de dorpel van de Tempel, en Hij riep de man die in linnen gekleed was en de schrijfkoker aan zijn zijde droeg. 4 En de HERE zeide tot hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en maak een teken op de voorhoofden der mannen die zuchten en kermen over al de gruwelen die daar bedreven worden (NBG)
De heerlijkheid van de God van Israël had zich opgeheven van de cherub naar de dorpel van de Tempel, het Huis van God.
De hemelse Heerscharen komen in actie om het volk te reinigen vóór het herstel van het Huis van God. Dit herstel of bezetting gebeurt in fasen, zoals wij kunnen afleiden uit de bezetting van de dorpel. De Cherubim waren in fasen en op verschillende plaatsen (zie het artikel De betekenis van de gezichten van Ezechiël [108]).
De binnenkomst van Messias naar de dorpel van de binnen Tempel als de vorst wordt uitgebeeld door de ordening die neergelegd is in Ezechiël 45 en 46.
De vorst heeft een aantal verplichtingen die hem opgelegd zijn volgens de tekst in Ezechiël 45:8-10.
Ezechiël 45:8-10 8 zal zijn gebied zijn, tot een bezitting in Israël, zodat mijn vorsten mijn volk niet meer onderdrukken, maar het land overlaten aan het huis Israëls, naar hun stammen.
9
Zo zegt de Here HERE: Het is meer dan genoeg geweest, vorsten van Israël. Laat af van geweld en onderdrukking, handelt naar recht en gerechtigheid; ontlast mijn volk van uw afpersingen, luidt het woord van de Here HERE. 10 Gij zult een zuivere weegschaal hebben, een zuivere efa en een zuivere bath; (NBG)De natie wordt een heffing opgelegd van een half procent tiende voor de verzorging van de offers die dan de verantwoordelijkheid wordt van de regering voor elke Sabbat, Nieuwe Maan en Heilige Dag. De zoenoffers vinden plaats in de eerste en de zevende maand. De offers zijn op de Nieuwemaansdagen en het Pascha en het Loofhuttenfeest. De vorst zal Messias op alle feesten vertegenwoordigen. Dit zal gebeuren op de Sabbatten en de Nieuwemaansdagen, die beide arbeidsvrije dagen of Sabbatten zijn.
Ezechiël 46:1-3 1 Zo zegt de Here HERE: De poort van de binnenste voorhof, die op het oosten uitziet, zal op de zes werkdagen gesloten blijven, maar op de sabbatdag geopend worden; ook op de nieuwemaansdag zal zij geopend worden. 2 De vorst zal van buiten af door de voorhal der poort naar binnen gaan, en bij de post van de poort blijven staan; dan zullen de priesters zijn brandoffer en zijn vredeoffer bereiden, waarna hij zich zal nederbuigen op de drempel der poort, en dan naar buiten gaan. De poort mag tot de avond niet gesloten worden. 3 Het volk des lands echter zal zich op de sabbatten en de nieuwemaansdagen bij de ingang van die poort voor het aangezicht des HEREN nederbuigen. (NBG)
Dus de Sabbatten en de Nieuwemaansdagen zijn gelijk en dagen van aanbidding en plechtige samenkomst onder de zorg van de vorst, en met het volk. Hieronder komen ook de feesten te vallen (Ezechiël 46:9-10).
Er rust dus een verplichting op de vorsten en de priesters om dit het volk op te leggen en zij worden geoordeeld naar de wijze waarop zij deze verantwoordelijkheid uitoefenen. Het falen van de vorsten, priesters en profeten van de natie in het laatst der dagen doet hun verwijdering zien.
Ezechiël 22:23-31 23 Het woord des HEREN kwam tot mij: 24 Mensenkind, zeg tot het land: Gij zijt een land, dat niet bevochtigd noch door regen gedrenkt is ten dage van de gramschap; 25 waar de vorsten zijn als een brullende leeuw, die zijn prooi verscheurt: mensen verslinden zij, schatten en kostbaarheden roven zij weg, het aantal weduwen vermeerderen zij er. 26 Zijn priesters doen mijn wet geweld aan en ontwijden mijn heilige dingen; tussen heilig en onheilig maken zij geen onderscheid, het verschil tussen onrein en rein onderwijzen zij niet, en voor mijn sabbatten sluiten zij hun ogen; zo word Ik te midden van hen ontheiligd. 27 De oversten zijn er als roofgierige wolven, die bloed vergieten en mensen in het verderf storten om zichzelf te bevoordelen. 28 En zijn profeten bepleisteren voor hen met kalk: zij schouwen bedrieglijke dingen en voorspellen leugen; zij zeggen: Zo zegt de Here HERE, terwijl de HERE niet gesproken heeft. 29 Het volk des lands maakt zich schuldig aan afpersing en pleegt roof; het onderdrukt de arme en behoeftige, en de vreemdeling doet het tegen alle recht geweld aan. 30 Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden. 31 Daarom heb Ik mijn gramschap over hen uitgestort; met het vuur van mijn verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun wandel heb Ik op hun hoofd doen neerkomen, luidt het woord van de Here HERE. (NBG)
Er wordt dus onder het priesterschap valse profetie gevonden. Dit is deze eeuw het geval in het bijzonder bij het Amerikaanse Protestantisme, maar het komt overal algemeen voor. Er wordt gepredikt dat Gods wet heeft afgedaan. Er is geen gehoorzaamheid. Het priesterschap zondigt op gelijke wijze en ieder is een valse profeet. Zij schenden de Sabbat en leren een andere God. Zij stelen en verscheuren de schapen volledig.
Jeremia 7:9-12 9 Wat? Stelen, doodslaan, echtbreken, vals zweren, voor de Baäl offers ontsteken en andere goden achternalopen, die gij niet gekend hebt. 10 En komt gij dan staan voor mijn aangezicht in dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, en zegt: Wij zijn geborgen! ten einde al deze gruwelen te bedrijven? 11 Is dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? En Ik, zie, Ik heb het wel degelijk opgemerkt, luidt het woord des HEREN. 12 Want, gaat naar mijn plaats die in Silo was, waar Ik in het eerst mijn naam deed wonen, en ziet wat Ik daarmede gedaan heb om de boosheid van mijn volk Israël. (NBG)
Hier zien wij dat God Silo niet gespaard heeft, noch heeft Hij Jeruzalem gespaard, noch onder de Babyloniërs noch later onder de Romeinen. Kijk naar wat God zelfs doet met Zijn eigen gewijde plaatsen. Hoeveel te meer zal Hij de verstrooiing afkeuren? Hij stelt eerst de priesters, profeten en vorsten verantwoordelijk. Hij verwijdert hen en vervolgens verwerpt Hij de natie. Deze zijn de drie herders die in één maand verworpen worden.
Speciaal voor Engeland hebben de prinsen (=vorsten) de monarchie door hun zonden verwoest en de mensen zijn niet meer bevreesd om kwaad te spreken tegen de kroon. [In het Nederlands kennen wij de uitdrukking ‘van de prins geen kwaad weten’]. Het boze systeem in de natie moet vernietigd worden. De vernietiging zal beginnen nadat het merkteken aangebracht is. Ezechiël 9 gaat verder:
Ezechiël 9:5-11 5 Tot de anderen zeide Hij te mijnen aanhoren: Trekt achter hem aan door de stad en slaat neer. Ontziet niet en hebt geen deernis. 6 Grijsaards, jongelingen en jonge meisjes, kleine kinderen en vrouwen, moet gij doden en verdelgen; maar niemand die het teken draagt, moogt gij aanraken; bij mijn heiligdom moet gij beginnen. Toen begonnen zij bij de mannen, de oudsten, die zich voor de Tempel bevonden. 7 En Hij zeide tot hen: Verontreinigt de Tempel en vult de voorhoven met gedoden. Gaat heen. Gaat heen en slaat neer in de stad. 8 Toen zij nu bezig waren met neer te slaan, (ik was achtergebleven) wierp ik mij op mijn aangezicht, schreeuwde het uit en zeide: Ach, Here HERE, gaat Gij nu heel het overblijfsel van Israëls verdelgen door uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem? 9 En Hij zeide tot mij: De ongerechtigheid van het huis Israëls en van Juda is uitermate groot, zodat het land van bloedschuld vol is, en de stad vol van rechtsverkrachting, want zij denken: de HERE heeft het land verlaten, en: de HERE ziet het niet. 10 Daarom zal Ik ook niet ontzien en geen deernis hebben; hun wandel zal Ik op hun eigen hoofd doen neerkomen. 11 En zie, de man die in linnen gekleed was en de schrijfkoker aan zijn zijde droeg, bracht bericht: Ik heb gedaan zoals Gij mij bevolen hadt. (NBG)
Het meten en het geven van het merkteken begint bij het Huis van God. De oude mannen zijn het Sanhedrin van de Gemeente, de raad der oudsten van de fysieke Tempel. Deze groep wordt weer opgericht vanuit de wijding van de [twee en] zeventig uit Lucas 10:1. De geestelijke Tempel heeft ook zijn Sanhedrin. Dus met de top van het priesterschap van de Judeo-Christelijke ordening wordt eerst afgerekend. Zij worden gemerkt voor de slachting overeenkomstig hun berouw. Het merkteken is het teken van de uitverkorenen. Degenen, die het zegel van God hebben worden gespaard. Dit is de verwijzing naar Openbaring 7:3. Aan de aarde kan geen schade toegebracht worden, totdat dezen verzegeld zijn. De verwijzing is hier niet louter en alleen voor Jeruzalem - het verwijst naar geheel Israël, zowel Juda als Jozef. De Verenigde Staten en het Britse Gemenebest behoren mede tot de volken die Jozef vormen. Juda behoort ook tot de natie Israël zoals het nu bestaat en het overige in andere naties. Er zijn twee oogsten aangewezen - één voor Juda en een ander voor Efraïm, waar in de algemene betekenis Manasse bij hoort.
Hosea 6:1-7 1 Komt, laat ons wederkeren tot de HERE! Want Hij heeft verscheurd, en zal ons helen; Hij heeft geslagen, en zal ons verbinden. 2 Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht. 3 Ja, wij willen de HERE kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen, die het land besproeit. 4 Wat zal Ik u aandoen, o Efraïm? Wat zal Ik u aandoen, o Juda? Immers uw liefde is als een morgenwolk, en als een dauw die in de vroegte vergaat. 5 Daarom heb Ik er door de profeten op ingehouwen, heb Ik hen gedood door de woorden mijns monds. De oordelen over u waren een doorbrekend licht. 6 Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer, in kennis van God en niet in brandoffers. 7 Maar zij hebben als Adam het verbond overtreden; daar hebben zij Mij trouweloos bejegend. (NBG)
De twee dagen verwijzen naar de twee dagen volgend op nationaal berouw. De natie wordt drie jaar lang gestraft.
Hosea 6:8-11 8 Gilead is een stad van misdadigers, vol bloedsporen. 9 Gelijk een troep bandieten ligt een priesterschare op de loer; zij moorden op de weg naar Sichem. Waarlijk, wandaden bedrijven zij. 10 In het huis Israëls heb Ik afschuwelijke dingen gezien: daar is Efraïms ontucht; Israël heeft zich verontreinigd. 11 Ook voor u, Juda, is een oogst weggelegd, wanneer Ik in het lot van mijn volk een keer brengen zal. (NBG)
De verschillende Nederlandse vertalingen spreken over de weg naar Sichem in vers 9. Men weet hier geen raad mee, zoals ook C. van Leeuwen schrijft:
Ook de achtergrond van vers 9 is ons onbekend, wie worden bedoeld met de op de loer liggende, moordende priesters? De weg naar Sichem de oude levietenstad, waar veel priesters woonden is de grote karavaanweg die in de richting noord-zuid door het land liep. Maakten de priesters zich schuldig aan roofmoorden op handelaren die daar met hun karavanen voorbijtrokken? Of werden daar priesters die de HERE trouw waren gebleven, vermoord door hun Kanaänitische gezinde collega’s? In elk geval gaat het om wandaden of beter ‘schandelijke daden’ (C. van Leeuwen, Tekst voor Tekst, de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht, Boekencentrum, ‘s-Gravenhage 1987, blz. 578).
De King James Vertaling gebruikt in plaats van de weg naar Sichem in the way by consent in de betekenis van éénstemmig. Het is afkomstig van het woord shekem (SHD 7926), hetgeen betekent de nek. Het verwijst naar het deel van het lichaam tussen de schouders, en zo naar de plaats waar de last gedragen wordt. Figuurlijk is het de uitloper van een heuvel, hetgeen dan de bijbetekenis heeft van een éénstemmige last, of deel of schouder. De plaats in Palestina Shechem, de bergrug, is afgeleid van dit woord shekem. Daarom wordt in de meeste vertalingen aangenomen, dat de plaats bedoeld wordt. De King James echter geeft de betekenis van éénstemmige moord. De werkelijke betekenis is dat het priesterschap moordde éénstemmig met voorbedachte rade, waarbij zij bij uitstek zondigen en moorden.
Het priesterschap wordt dus het eerste gestraft vanwege hun verantwoordelijkheid in de zonde van de natie en de verspreiding van valse leer. De vorsten volgen in hun verwijdering.
Juda werd ook drie jaar lang geoogst. De straf werd drie jaar lang uitgevoerd voor hun berouw zoals wij zagen in de Holocaust. De verstrooiing onder de naties was een straf voor beide. De teksten uit Hosea in hoofdstuk 7 en 8 behandelen Efraïm. De ballingschap van Israël wordt vermeld in Hosea 8:13. Israël wordt tot zonde gebracht door zijn godsdienstige ordening.
Hosea 8:11-14 11 Voorwaar, vele altaren heeft Efraïm gesticht om te zondigen; de altaren hebben hun gediend om te zondigen. 12 Al schrijf Ik hun tienduizendvoudig mijn wetten voor, toch worden deze geacht als die van een vreemde. 13 Offergaven brengen zij, vlees, en zij eten het. De HERE heeft in hen geen behagen; nu gedenkt Hij hun verkeerdheid en straft hun zonden: zij zullen terugkeren naar Egypte. 14 Ja, Israël heeft zijn Maker vergeten, en heeft paleizen gebouwd, terwijl Juda talrijke versterkte steden maakte. Doch Ik zal een vuur in zijn steden werpen; dat zal haar burchten verteren. (NBG)
De oogst van Juda werd vastgesteld voor het laatst der dagen, wanneer de ballingschap van Israël werd omgekeerd in herstel. Zowel Efraïm als Juda staan dus bloot aan de vrees voor vernietiging en worden hersteld door goddelijke tussenkomst. Juda werd gelouterd door vuur in de Holocaust. Hun bekeringsproces wordt ondernomen vanuit de logica van de verwerping van de oogst. Juda en Israël worden door vuur gelouterd voordat afgerekend wordt met de naties in de gebeurtenissen zoals wij die begrijpen uit Openbaring en andere profetie.
De verwijdering en de vervanging worden in een aantal profetieën gevonden in zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Wij hebben de tijdspanne gezien in deze afloop als de ene maand, waarnaar in Zacharia 11:8 verwezen wordt. Deze verwijdering verwijst naar de afrekening met Israël en zijn leiders voorafgaande aan de wederoprichting van Israël.
Zacharia 11:1-17 1 Open uw deuren, o Libanon, opdat het vuur uw ceders vertere! 2 Jammer, gij cypres, omdat de ceder gevallen is, en de geweldige bomen verwoest zijn; jammert, gij eiken van Basan, omdat het ondoordringbare woud is neergestort. 3 Hoor, het gejammer der herders, omdat hun heerlijkheid verwoest is; hoor, het gebrul der jonge leeuwen, omdat de pronk van de Jordaan verwoest is.
4
Zo zeide de HERE, mijn God: Weid de slachtschapen; 5 hun kopers slachten ze zonder dat zij zich schuldig voelen; hun verkopers zeggen: geprezen zij de HERE, omdat ik rijk word; hun herders sparen ze niet. 6 Want Ik zal de bewoners der aarde niet langer sparen, luidt het woord des HEREN; zie, Ik lever de mensen over, allen in de macht van hun naaste en in de macht van hun koning; en zij zullen de aarde tot een woestenij maken, en Ik zal uit hun macht niet redden.7
Daarom heb ik de slachtschapen geweid (daarom zijn zij de ellendigste onder de schapen) en ik heb twee staven genomen, de ene heb ik genoemd Lieflijkheid, en de andere Samenbinding; zo heb ik de kudde geweid. 8 Drie herders heb ik in een maand verdelgd, omdat ik tegenover hen mijn geduld verloren had, terwijl zij ook een afkeer hadden van mij. 9 Daarop heb ik gezegd: ik wil u niet langer weiden; wat sterven gaat, sterve, en wat verdelgd dreigt te worden, worde verdelgd, en de overblijvenden mogen elkanders vlees eten. 10 Toen heb ik mijn staf Lieflijkheid genomen en die verbroken, tenietdoende mijn verbond, dat ik met alle volken gesloten had. 11 Dus werd het te dien dage verbroken; zo hebben de ellendigste onder de schapen, die op mij letten, bemerkt, dat dit een woord des HEREN was. 12 En ik heb tot hen gezegd: Indien het goed is in uw ogen, geeft mijn loon, maar indien niet, laat het. Toen wogen zij mijn loon af: dertig zilverstukken. 13 Maar de HERE zeide tot mij: Werp dat de pottenbakker toe; een heerlijke prijs waarop Ik hunnerzijds geschat ben! En ik heb de dertig zilverstukken genomen en die in het huis des HEREN de pottenbakker toegeworpen. 14 Daarop heb ik mijn tweede staf, Samenbinding, verbroken, tenietdoende de broederschap tussen Juda en Israël. 15 Toen zeide de HERE tot mij: Neem u nog eens de uitrusting van een dwaze herder; 16 want zie, Ik stel een herder in het land: naar wat verdelgd dreigt te worden, zal hij niet omzien; het verstrooide zal hij niet opzoeken, het gewonde zal hij niet trachten te helen, het uitgeputte zal hij niet verzorgen; maar het vlees van de vette beesten zal hij eten, en hun hoeven zal hij afrukken. 17 Wee de nietswaardige herder, die de schapen verlaat: het zwaard over zijn arm en zijn rechteroog! Verdorren zal zijn arm, verduisterd worden zijn rechteroog. (NBG)Lieflijkheid en Samenbinding verwijzen naar Messias en de band tussen Juda en Israël. De wegname van Messias werd gevolgd door de wegname van het priesterschap en de overdracht ervan aan de Gemeente in de verstrooiing. De verwijzing naar de drie herders zijn de vorsten, priesters en profeten, of de drie standen van bestuurders in Israël. De Soncino vermeldt dat de Talmoed hen ziet als Mozes, Aäron en Mirjam. De aanhangers van een datum eerder dan de ballingschap voor dit gebeuren zien hen als de laatste drie koningen van Juda: Joachaz, Jojakim en Sedekia (rabbi Kimchi). De voorstanders van de tijd der Maccabeeën denken aan de hogepriesters uit die periode: Jason, Lysimachus en Menelaus; of aan Judas Maccabeüs en zijn broers Jonathan en Simon (rabbi Arbarbanel), die over het volk regeerde voor een maand van jaren, dat is dertig jaar.
Driver merkt voorzichtig op:
‘De toespeling schijnt naar een gebeurtenis in de tijd te zijn, niet onbekend aan ons.’ In een maand is waarschijnlijk een nadrukkelijke aanduiding in de betekenis van een korte tijd (zie Hosea 5:7) (Soncino fn. to v. 8).De uitleg van deze periode van dertig jaar is eeuwenlang het onderwerp van rabbinale speculatie geweest. De tijdspanne vanaf de dood van Messias in 30 CE tot de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem in 70 CE, en het sluiten van de Tempel in Heliopolis of Leontopolis in Egypte in 71 CE op bevel van Vespasianus, was het einde van de veertig jaar van het teken van Jona (zie het artikel Het teken van Jona en de geschiedenis van de herbouw van de Tempel [013]). Deze tijd van veertig jaar was het begin van de tijd van het laatst der dagen. Het was niet het einde van die fase. Wij hebben de betekenis gezien van de dertig jaar sinds het einde van de tijd in de woestijn en de rouw voor Mozes. Het teken van Jona en de verwoesting van de Tempel zag de verwijdering van het gezag van het priesterschap in Juda naar een natie dat de vruchten ervan toonde, wat in feite Israël was als de tien stammen.
De periode van de dertig jaar wordt gekenmerkt door het einde van de tijden der heidenen, die zoals wij gezien hebben was 1914-1996 (zie het artikel De val van Egypte - de profetie van Farao’s gebroken armen [036]). Het jaar 1997 geeft het begin aan van de dertigjarige periode die eindigt in 2025/6. Tegen 2025/6 zullen alle naties op hun toegekende plaats zijn en de oorlogen van het laatst der dagen gevoerd zijn.
God laat zien wat het einddoel van het gebeuren is in Zacharia 12:1-14.
Zacharia 12:1-8 1 Godsspraak, het woord des HEREN, over Israël. Aldus luidt het woord van de HERE, die de hemel uitspant en de aarde grondvest, en de geest des mensen in diens binnenste formeert. 2 Zie, Ik maak Jeruzalem tot een schaal der bedwelming voor alle volken in het rond; ja ook tegen Juda zal het gaan bij de belegering van Jeruzalem. 3 Te dien dage zal Ik Jeruzalem maken tot een steen, die alle natiën moeten heffen; allen die hem heffen, zullen zich deerlijk verwonden. En alle volkeren der aarde zullen zich daarheen verzamelen. 4 Te dien dage, luidt het woord des HEREN, zal Ik alle paarden treffen met verbijstering, en hun berijders met krankzinnigheid; over het huis Juda zal Ik mijn ogen openhouden, doch alle paarden der natiën zal Ik treffen met blindheid. 5 Dan zullen de stamhoofden van Juda bij zichzelf zeggen: Een sterke macht zijn mij de inwoners van Jeruzalem door de HERE der heerscharen, hun God. 6 Te dien dage zal Ik de stamhoofden van Juda maken als een vuurbekken tussen het hout, en als een vuurfakkel tussen de garven; dan zullen zij rechts en links alle natiën in het rond verteren; en Jeruzalem zal blijven voortbestaan op zijn eigen plaats, te Jeruzalem. 7 Ook zal de HERE de tenten van Juda allereerst verlossen, opdat de trots van het huis van David en van de inwoners van Jeruzalem zich niet verheffe tegen Juda. 8 Te dien dage zal de HERE de inwoners van Jeruzalem beschutten, en wie onder hen struikelt, zal te dien dage zijn als David, en het huis van David als God, als de Engel des HEREN voor hun aangezicht. (NBG) (nadruk toegevoegd)
Juda wordt eerst behouden zodat de uitverkorenen geen voorrang hebben boven de stam van Messias. Het einddoel is dat de uitverkorenen elohim worden, terwijl Messias of de Engel van Jahovah aan hun hoofd staat.
Zacharia 12:9-14 9 Te dien dage zal Ik zoeken te verdelgen alle volken die tegen Jeruzalem oprukken. 10 Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene. 11 Te dien dage zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn, zoals de rouwklacht van Hadadrimmon in het dal van Megiddo; 12 het land zal een rouwklacht aanheffen, alle geslachten afzonderlijk; het geslacht van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van het huis van Natan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, 13 het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk; het geslacht van Simi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk; 14 alle overige geslachten, alle geslachten afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk. (NBG)
Het verloop van dit alles zal uitgebreid in dit artikel onderzocht worden. De reiniging van Israël is de eerste fase. Het proces, dat begon bij Joshua of Jezus Christus als Messias van Aäron, die de verwijdering van het gezag van Levi zag, zal het priesterschap gereinigd zien in Israël.
De vorsten, priesters en profeten worden in deze ene maand verwijderd. De vorsten zijn verantwoordelijk om zeker te stellen dat de natie bestuurd wordt volgens Gods wetten. Het priesterschap dat niet de natie onderwijst in de wetten van God en een valse profetie invoert wordt uitgeroeid, en vervolgens wordt het koningschap, dat deze dingen toeliet, uitgeroeid tezamen met het volk dat hen volgde. De natie wordt in ballingschap gevoerd. In het laatst der dagen wordt de natie gelouterd in vuur en de waarheid wordt gevestigd door profeten in de kracht van de Heilige Geest.
De laatste dertig jaar van het einde omvatten ook de Oorlogen van de Wederoprichting en dit het onderwerp van een apart artikel. (De laatste dertig jaar: De eindstrijd [219]).
De fasen zijn dus begonnen vanaf de Tempel, zoals wij hierboven gezien hebben. Het priesterschap wordt het eerste gereinigd. De loop van Gods uitverkorenen gaat als volgt:
De uitverkorenen als de Gemeente
Beproeving van de uitverkorenen als de Gemeenten.
Beproeving van de uitverkorenen als natie
De volgende fase begint dan het volledige herstel.
Voorbereiding in fasen
Fasen van de onderwerping
Tussenkomst om de mensheid van zichzelf te redden
Uitvoering
De ordening van het Millennium dwingend opgelegd
Definitieve afsluiting van de uitverkorenen na de laatste oorlog en het herstel van alle vlees
10 Overdracht aan God de Vader
De voorbereiding is voltooid en gereed voor God om geheel in allen te zijn
Deel 2 - De Tempel gemeten - Verwijdering van de priesters
Wij hebben uit Ezechiël 22:17-31 gezien dat het Huis Israëls gemeten wordt naar zijn prestaties en uit Zacharia zien wij dat het meten begon bij het Huis van God.
Ezechiël 22:17-31 17 Het woord des HEREN kwam tot mij: 18 Mensenkind, het huis Israëls is Mij tot schuim geworden; allen zijn zij koper, tin, ijzer en lood in de smeltoven; stukken zilverschuim zijn zij geworden. 19 Daarom, zo zegt de Here HERE: Omdat gij allen tot schuim geworden zijt, daarom, zie, zal Ik u bijeenbrengen in Jeruzalem. 20 Zoals zilver, koper, ijzer, lood en tin in de smeltoven bijeengebracht wordt en daaronder het vuur wordt aangeblazen, om het te smelten, zo zal Ik u bijeenbrengen in mijn toorn en in mijn grimmigheid, en Ik zal u erin werpen en smelten. 21 Ja, Ik zal u verzamelen en onder u het vuur van mijn verbolgenheid aanblazen, en gij zult daarin gesmolten worden. 22 Zoals zilver in de smeltoven gesmolten wordt, zo zult gij daarin gesmolten worden; en gij zult weten, dat Ik, de HERE, mijn grimmigheid over u heb uitgestort. 23 Het woord des HEREN kwam tot mij: 24 Mensenkind, zeg tot het land: Gij zijt een land, dat niet bevochtigd noch door regen gedrenkt is ten dage van de gramschap; 25 waar de vorsten zijn als een brullende leeuw, die zijn prooi verscheurt: mensen verslinden zij, schatten en kostbaarheden roven zij weg, het aantal weduwen vermeerderen zij er. 26 Zijn priesters doen mijn wet geweld aan en ontwijden mijn heilige dingen; tussen heilig en onheilig maken zij geen onderscheid, het verschil tussen onrein en rein onderwijzen zij niet, en voor mijn sabbatten sluiten zij hun ogen; zo word Ik te midden van hen ontheiligd. 27 De oversten zijn er als roofgierige wolven, die bloed vergieten en mensen in het verderf storten om zichzelf te bevoordelen. 28 En zijn profeten bepleisteren voor hen met kalk: zij schouwen bedrieglijke dingen en voorspellen leugen; zij zeggen: Zo zegt de Here HERE, terwijl de HERE niet gesproken heeft. 29 Het volk des lands maakt zich schuldig aan afpersing en pleegt roof; het onderdrukt de arme en behoeftige, en de vreemdeling doet het tegen alle recht geweld aan. 30 Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden. 31 Daarom heb Ik mijn gramschap over hen uitgestort; met het vuur van mijn verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun wandel heb Ik op hun hoofd doen neerkomen, luidt het woord van de Here HERE. (NBG)
De veroordeling van de drie standen van bestuur wordt ook gevonden in Micha 3:1-12.
Micha 3:1-12 1 En ik zeide: Hoort toch, hoofden van Jakob en leidslieden van het huis Israëls, moest gij het recht niet kennen? 2 Gij die het goede haat en het kwade liefhebt, die de lieden de huid afstroopt en het vlees van hun gebeente; 3 ja, die het vlees van mijn volk eet, en hun de huid aftrekt, en hun beenderen breekt en ze uiteenlegt als vlees in een pot of in een ketel. 4 Dan zullen zij roepen tot de HERE, maar Hij zal hun niet antwoorden, en Hij zal zijn aangezicht voor hen verbergen te dien tijde, omdat zij slecht hebben gehandeld.
5
Zo zegt de HERE aangaande de profeten die mijn volk verleiden; die, als zij iets met hun tanden te bijten krijgen, heil verkondigen, maar tegen hem die hun niets in de mond steekt, de oorlog uitroepen: 6 Daarom zal het nacht voor u worden, zonder gezicht; duisternis, zonder waarzegging; de zon zal ondergaan over de profeten, en de dag zal over hen verdonkerd worden. 7 En de zieners zullen beschaamd worden, en de waarzeggers teleurgesteld, en zij zullen allen de bovenlip omwinden, omdat er geen antwoord Gods komt.8
Ik daarentegen ben vol van kracht, van de Geest des HEREN, en van recht en van sterkte, om Jakob zijn overtreding aan te zeggen en Israël zijn zonde. 9 Hoort dit toch, hoofden van het huis Jakobs en leidslieden van het huis Israëls, die het recht verafschuwt en al het rechte krom maakt, 10 die Sion bouwt met bloed en Jeruzalem met onrecht. 11 De hoofden spreken er recht voor geschenken, en de priesters geven er onderricht om loon, en de profeten plegen er waarzeggerij voor geld, en daarbij steunen zij op de HERE en zeggen: Is de HERE niet in ons midden? Ons zal geen kwaad overkomen! 12 Daarom zal om uwentwil Sion als een akker worden omgeploegd, en Jeruzalem zal worden tot steenhopen, ja de Tempelberg tot woudhoogten. (NBG)Het probleem is hier dat de vorsten het oordeel en gelijkheid misvormen. Inderdaad verafschuwen zij oordeel, omdat zij niet overeenkomstig de wetten Gods geoordeeld willen worden.
De priesters geven onderricht om loon en de profeten spreken prettige dingen als onderpand van de mensen in hun zonde. De priesters en profeten zullen niet onbevreesd het woord des Heren spreken, noch is Gods naam belangrijk voor hen zoals wij zien uit Maleachi. Jeremia laat zien dat God met Israël en Juda heeft afgerekend en ook met Jeruzalem voor deze zelfde zonden.
Jeremia 32:26-44 26 Toen kwam het woord des HEREN tot Jeremia: 27 Zie, Ik, de HERE, ben de God van al wat leeft; zou voor Mij iets te wonderlijk zijn? 28 Daarom zegt de HERE aldus: Zie, Ik geef deze stad wel in de macht van de Chaldeeën en van Nebukadressar, de koning van Babel, die haar innemen zal; 29 en de Chaldeeën die tegen deze stad strijden, zullen komen, deze stad in vlam zetten en haar verbranden, met de huizen, op welker daken men voor de Baäl offers ontstoken en plengoffers aan andere goden gebracht heeft, waarmee men Mij heeft gekrenkt. 30 Want de Israëlieten en de Judeeërs deden van jongs af voortdurend enkel wat kwaad is in mijn ogen; de Israëlieten krenkten Mij immers voortdurend met het werk hunner handen, luidt het woord des HEREN. 31 Want deze stad heeft mijn toorn en mijn gramschap opgewekt sedert de dag dat men haar bouwde, tot op heden, zodat Ik haar moet wegdoen uit mijn ogen 32 om al de boosheid die de Israëlieten en de Judeeërs bedreven hebben en waarmee zij Mij gekrenkt hebben; zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesters en hun profeten, zowel de mannen van Juda als de inwoners van Jeruzalem; 33 zij keerden mij de nek toe in plaats van het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg en laat, luisterden zij niet en lieten zich niet gezeggen. 34 Maar zij zetten hun gruwelen in het huis waarover mijn naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen, 35 en zij bouwden de hoogten van de Baäl, die zich in het dal Ben-hinnom bevinden, om hun zonen en dochters aan de Moloch te wijden, wat Ik hun niet geboden had en wat bij Mij niet opgekomen was, het bedrijven van deze gruwel om Juda te doen zondigen. 36 Maar nu, zo zegt de HERE, de God van Israël, van deze stad, waarvan gij zegt: Zij is in de macht van de koning van Babel gegeven door het zwaard, de honger en de pest: 37 zie, Ik verzamel hen uit al de landen, waarheen Ik hen in mijn toorn en gramschap en grote verbolgenheid zal verdreven hebben, en Ik zal hen naar deze plaats terugbrengen en hen veilig doen wonen; 38 zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn; 39 Ik zal hun een hart en een weg geven, zodat zij Mij vrezen al de dagen, hun en hun kinderen na hen ten goede; 40 ja, Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij niet van achter hen afwenden zal en dat Ik hun wel zal doen, en mijn vrees zal Ik in hun hart leggen, zodat zij niet van Mij afwijken; 41 Ik zal Mij over hen verblijden en hun weldoen en Ik zal hen voorgoed in dit land planten met heel mijn hart en heel mijn ziel. 42 Want zo zegt de HERE: Zoals Ik al deze zware rampspoed over dit volk gebracht heb, zo breng Ik over hen al het heil, dat Ik over hen verkondig. 43 Er zullen akkers gekocht worden in dit land, waarvan gij zegt: Een wildernis is het, zonder mens en dier, het is in de macht der Chaldeeën gegeven; 44 akkers zal men voor geld kopen en koopbrieven schrijven, deze verzegelen en door getuigen doen bekrachtigen in het land van Benjamin, in de omstreken van Jeruzalem, in de steden van Juda, van het Gebergte, van de Laagte en van het Zuiderland; want Ik zal in hun lot een keer brengen, luidt het woord des HEREN. (NBG)
God leverde Israël over aan de Assyriërs en Juda aan de Babyloniërs, die de opvolgers waren van de Assyriërs, opdat zij verworpen konden worden. Toch beloofde God dat Hij hen zou herstellen in het laatst der dagen, zodat zij een eeuwigdurend verbond konden ontvangen. Zij weigerden zich te bekeren en werden opnieuw verwijderd en het verbond werd gemaakt zonder de natie die het kon uitvoeren of er in betrokken was, behalve als afzonderlijke mensen. Zij zullen in het laatst der dagen bekeerd worden ondanks hun tradities en ondanks hun priesterschap, zoals wij zullen zien. Jeremia spreekt van de priesters en profeten en de vestiging van het koninkrijk in het laatst der dagen.
Jeremia 23:1-4 1 Wee de herders, die de schapen welke Ik weid, verderven en verstrooien, luidt het woord des HEREN. 2 Daarom, zo zegt de HERE, de God van Israël, tot de herders die mijn volk weiden: Gij verstrooit en verstoot mijn schapen, en zoekt ze niet op; zie, Ik bezoek aan u de boosheid uwer handelingen, luidt het woord des HEREN. 3 En Ik zal de rest van mijn schapen verzamelen uit al de landen waarheen Ik ze heb verdreven, en Ik zal ze doen wederkeren naar hun weiden, en zij zullen vruchtbaar zijn en zich vermeerderen. 4 Ook zal Ik over hen herders verwekken om hen te weiden, en zij zullen vrees noch schrik meer hebben, en zij zullen niet gemist worden, luidt het woord des HEREN. (NBG)
Deze tekst verwijst naar het priesterschap van Israël en Juda, dat voortdurend de schapen heeft mishandeld. Het is een voortdurende verwerping tot aan de wederkomst van Messias. Het hield niet op met zijn opstanding.
Jeremia 23:5-8 5 Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land. 6 In zijn dagen zal Juda behouden worden en Israël veilig wonen; en dit is zijn naam, waarmede men hem zal noemen: de HERE onze gerechtigheid. 7 Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat men niet meer zal zeggen: Zo waar de HERE leeft, die de Israëlieten uit het land Egypte heeft doen optrekken, maar veeleer: 8 Zo waar de HERE leeft, die het nageslacht van het huis Israëls heeft doen optrekken en die het heeft doen komen uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had; en zij zullen op hun eigen grond wonen. (NBG)
Deze profetie is nog niet vervuld. Het gebeurt nu of er is een andere tijdsafloop die nog niet voltooid is. Voordat dit kan gebeuren moet het priesterschap gereinigd worden door verwijdering.
Jeremia 23:9-22 9 Over de Profeten.
Mijn hart is in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen sidderen; ik ben als een beschonken man, als iemand wie de wijn naar het hoofd gestegen is, om de HERE en om zijn heilige woorden. 10 Want van echtbrekers is het land vol; want ten gevolge van de vloek heeft het land een treurig aanzien, zijn de dreven der steppe verdroogd; ja, wat zij najagen, is het kwade en waar zij kracht in zoeken, onrecht. 11 Want zowel profeet als priester plegen heiligschennis, zelfs in mijn huis heb Ik hun boosheid gevonden, luidt het woord des HEREN. 12 Daarom zal hun weg voor hen worden als glibberige plaatsen in de duisternis, zij zullen daar verdwalen en vallen. Want Ik zal rampspoed over hen brengen in het jaar van hun bezoeking, luidt het woord des HEREN. 13 Wel heb Ik bij de profeten van Samaria gezien wat ergerlijk was: zij profeteerden door de Baäl en misleidden mijn volk Israël; 14 maar bij de profeten van Jeruzalem heb Ik gezien wat afschuwelijk is: echtbreken en met leugen omgaan; zij sterken de handen der boosdoeners, dat niet een zich van zijn boosheid bekeert; zij zijn Mij altezamen als Sodom geworden, zijn inwoners als Gomorra. 15 Daarom zegt de HERE der heerscharen aldus van de profeten: Zie, Ik spijzig hen met alsem, Ik drenk hen met gif, want van de profeten van Jeruzalem is de heiligschennis uitgegaan over het gehele land. 16 Zo zegt de HERE der heerscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken, dat gij u aan een ijdele waan overgeeft, zij spreken het gezicht van hun eigen hart, niet uit des HEREN mond. 17 Zij zeggen voortdurend tot wie Mij verachten: De HERE heeft gesproken: gij zult vrede hebben; en tot ieder die wandelt in verstoktheid van hart, zeggen zij: geen kwaad zal u overkomen. 18 Wie toch heeft in de raad des HEREN gestaan en zijn woord vernomen en gehoord? Wie heeft zijn woord beluisterd en gehoord? 19 Zie, een stormwind des HEREN, gramschap, vaart uit, een wervelende storm; op het hoofd der goddelozen stort hij zich uit. 20 De toorn des HEREN zal zich niet afwenden, tot Hij heeft volvoerd en tot stand gebracht de raadslagen van zijn hart; in het laatst der dagen zult gij dat duidelijk inzien. 21 Ik heb die profeten niet gezonden, toch hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, toch hebben zij geprofeteerd. 22 Maar als zij in mijn raad hadden gestaan, dan zouden zij mijn volk mijn woorden hebben doen horen, dan zouden zij hen hebben doen terugkeren van hun boze weg en van de boosheid hunner handelingen. (NBG)
Dit verschijnsel van boosheid en de profetie van vrede is wat gevonden wordt onder de mensen in het laatst der dagen. De priesters leren dat de wet Gods met Messias was afgedaan. Dit is de zonde die gebeurde onder de Baäl verering in Israël. En in feite bestaat hetzelfde vandaag de dag nog.
Jeremia 23:23-40 23 Ben Ik een God van nabij, luidt het woord des HEREN, en niet een God van verre? 24 Zou zich iemand in schuilhoeken kunnen verschuilen, dat Ik hem niet zou zien? luidt het woord des HEREN. Vervul Ik niet de hemel en de aarde? luidt het woord des HEREN. 25 Ik heb gehoord wat de profeten zeggen, die in mijn naam vals profeteren: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd! 26 Tot hoelang? is er iets in het hart van de profeten, die leugen profeteren en profeten zijn van de bedriegerij van hun hart; 27 die erop bedacht zijn mijn volk mijn naam te doen vergeten door hun dromen, die zij elkander vertellen, evenals hun vaderen mijn naam hebben vergeten door de Baäl? 28 De profeet die een droom heeft, vertelle een droom, en die mijn woord heeft, spreke mijn woord naar waarheid; wat heeft het stro met het koren gemeen? luidt het woord des HEREN. 29 Is niet mijn woord zo: als een vuur, luidt het woord des HEREN, of als een hamer, die een steenrots vermorzelt? 30 Daarom zie, Ik zal de profeten! luidt het woord des HEREN, die mijn woorden van elkander stelen; 31 zie, Ik zal de profeten! luidt het woord des HEREN, die hun tong gebruiken en godsspraken verkondigen; 32 zie, Ik zal de profeteerders van leugenachtige dromen! luidt het woord des HEREN, die zij vertellen om mijn volk te misleiden door hun leugens en woordenkramerij; Ik heb hen niet gezonden en hun geen opdracht gegeven; zij zijn dit volk niet van het minste nut, luidt het woord des HEREN.
33
Wanneer nu dit volk of een profeet of een priester u vraagt: Wat is des HEREN last? zeg dan tot hen: Gij zijt de last, en Ik zal u afwerpen, luidt het woord des HEREN. 34 De profeet, de priester of het volk, die zegt: De last des HEREN: Over die man en zijn huis zal Ik bezoeking doen. 35 Zegt aldus, een ieder tot zijn naaste en tot zijn broeder: Wat heeft de HERE geantwoord, of: Wat heeft de HERE gesproken? 36 maar van de last des HEREN zult gij geen melding meer maken; want de last zal voor ieder zijn eigen woord zijn, dat gij verdraait de woorden van de levende God, van de HERE der heerscharen, onze God. 37 Zeg aldus tot de profeet: Wat heeft u de HERE geantwoord, wat heeft de HERE gesproken; 38 maar als gij ‘de last des HEREN’ zegt, daarom zo zegt de HERE: Omdat gij dit woord zegt: ‘de last des HEREN’, hoewel ik de boodschap tot u gezonden had: zegt niet ‘de last des HEREN’, 39 daarom zie, Ik hef u zeker op en werp u weg met de stad die Ik u en uw vaderen gaf, van voor mijn ogen, 40 en Ik leg een eeuwige smaad op u, een eeuwige schande, die niet zal worden vergeten. (NBG)Gods last is licht. Hij spreekt door de profeten en Zijn woord is waarheid. Hij zal met de valse ordening in het laatst der dagen afrekenen. Sefanja spreekt ook over de boosheid van de vorsten, priesters en profeten. De Here is in het midden om met deze ordening af te rekenen en het priesterschap wordt weggenomen. Dit gebeurt in de eindtijd wanneer het herstel gaat plaats vinden en de naties geoordeeld worden.
Sefanja 3:1-7 1 Wee u, weerspannige, bezoedelde, verdrukkende stad! 2 Zij hoort naar geen roepstem, zij neemt geen tuchtiging aan; op de HERE vertrouwt zij niet, tot haar God nadert zij niet. 3 Haar vorsten in haar midden zijn brullende leeuwen; haar rechters zijn avondwolven, zij laten niets over tot de morgen. 4 Haar profeten zijn woordenkramers, mannen die trouweloos handelen; haar priesters ontwijden het heilige, zij doen de wet geweld aan.
5
De HERE is rechtvaardig in haar midden; Hij doet geen onrecht; elke morgen geeft Hij zijn recht; als het licht wordt, blijft het niet uit. Doch de verkeerde weet van geen schaamte. 6 Ik heb volken uitgeroeid; vernield zijn hun hoektorens; Ik heb hun straten verwoest, zodat niemand er meer door gaat; hun steden liggen in puin, zonder mensen, zonder inwoners. 7 Ik zeide: Vrees Mij toch, neem tuchtiging aan; dan zal haar woning niet uitgeroeid worden volgens alles waarmee Ik over haar bezoeking zal doen. Evenwel, zij waren er vroeg bij om al hun boze daden te bedrijven. (NBG)Het gezag, bestuur en priesterschap worden hier volledig door God veroordeeld. De natie moet echter op God wachten, tot de tijd van Zijn wrake en herstel. Dan zullen zij een zuivere taal krijgen. De trots van Juda, die hooghartig of arrogant is vanwege de uitverkiezing van Juda, zal weggenomen worden. Het gekwelde en arme volk dat overblijft, zal vertrouwen in de naam des Heren. Juda en Israël worden zo met vuur gelouterd, voorafgaande aan het herstel, maar niemand zal hen beangstigen.
Sefanja 3:8-20 8 Daarom, wacht op Mij, luidt het woord des HEREN, ten dage dat Ik zal opstaan tot de buit; want mijn vonnis is, volken te vergaderen, koninkrijken te verzamelen, over hen mijn gramschap uit te gieten, heel mijn brandende toorn, want door het vuur van mijn naijver zal de ganse aarde verteerd worden. 9 Maar dan zal Ik de volken andere, reine lippen geven, opdat zij allen de naam des HEREN aanroepen; opdat zij Hem dienen met eenparige schouder. 10 Van gene zijde der rivieren van Ethiopië zullen mijn aanbidders, mijn verstrooiden, mijn offer brengen. 11 Te dien dage zult gij u niet behoeven te schamen over al de daden waarmede gij tegen Mij hebt overtreden, want dan zal Ik uit uw midden uw hoogmoedig juichenden verwijderen. En voortaan zult gij niet meer overmoedig zijn op mijn heilige berg.
12
En Ik zal in uw midden overlaten een ellendig en gering volk, en wie schuilen bij de naam des HEREN. 13 Het overblijfsel van Israël zal geen onrecht doen noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden, want zij zullen weiden en nederliggen, zonder dat iemand hen verschrikt. 14 Jubel, dochter van Sion; juich, Israël; verheug u en wees vrolijk van ganser harte, dochter van Jeruzalem! 15 De HERE heeft uw gerichten weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd. De Koning Israëls, de HERE, is in uw midden; gij zult geen kwaad meer vrezen. 16 Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, Sion, laten uw handen niet slap worden. 17 De HERE, uw God, is in uw midden, een held, die verlost. Hij zal Zich over u met vreugde verblijden; Hij zal zwijgen in zijn liefde; Hij zal over u juichen met gejubel.18
Wie bedroefd zijn, ver van de feestvergadering, zal Ik samenbrengen; zij behoren toch bij u. Als een last drukt de smaad op hen. 19 Zie, Ik zal te dien tijde afrekenen met al uw verdrukkers, maar Ik zal het hinkende verlossen en het verstrooide zal Ik verzamelen; Ik zal tot een lof en tot een naam stellen hen, wier schande was over de gehele aarde. 20 Te dien tijde zal Ik u doen komen, namelijk ten tijde dat Ik u verzamelen zal. Want Ik zal u stellen tot een naam en tot een lof onder alle volken der aarde, wanneer Ik voor uw ogen een keer zal gebracht hebben in uw lot, zegt de HERE. (NBG)Dit is de ballingschap van Israël waar Messias krijgsgevangenen meevoert (Efeziërs 4:8 uit Psalm 68:18) maar in het laatst der dagen (Openbaring 13:10).
Maleachi laat zien dat de belangrijkste reden van het falen van het priesterschap in het laatst der dagen de naam of natuur van God is en Zijn macht en gezag. Er wordt geen eer gegeven aan de Vader en geen vrees aan Hem als de God en de Heer der Heerscharen.
Maleachi 1:1-5 1 Een godsspraak. Het woord des HEREN tot Israël door de dienst van Maleachi. 2 Ik heb u liefgehad, zegt de HERE. En dan zegt gij: Waarin hebt Gij ons uw liefde betoond? Was niet Esau Jakobs broeder? luidt het woord des HEREN. 3 Toch heb Ik Jakob liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat; Ik heb zijn bergen tot een woestenij gemaakt en zijn erfdeel aan de jakhalzen der woestijn prijsgegeven. 4 Wanneer Edom zegt: Wij zijn verwoest, doch wij zullen de puinhopen weer opbouwen; Zo zegt de HERE der heerscharen: Laten dezen bouwen, maar Ik zal afbreken; men zal het noemen: gebied der goddeloosheid, en: het volk waarop de Here voor eeuwig toornt. 5 Als uw ogen het zien, zult gij zeggen: Groot is de HERE, ook buiten Israëls gebied. (NBG)
Het verschil tussen Jakob en Edom ligt hier in de twee verbonden of ordeningen van aanbidding. Het verschil is niet tussen het Oude en Nieuwe Verbond maar tussen vals en waar. De ordening van de slaaf en de vrije zijn ook tussen de twee bergen Gerizim en Ebal.
Mozes deed sommige stammen op de berg Gerizim staan om de mensen te zegenen en anderen op de berg Ebal om te vervloeken (Deuteronomium 27:12-13; Jozua 8:33; Richteren 9:7). Degenen die op Gerizim stonden waren Simeon, Levi, Juda, Issakar, Jozef en Benjamin. Die op Ebal waren Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali.
Deze verdeling heeft betekenis, die later onderzocht zal worden. Zij verschillen van de verdeling door Paulus in Galaten 4:21-31. De Levieten hadden hier bijzondere verantwoordelijkheden (Deuteronomium 27:14-26). Deze verantwoordelijkheid ging rechtstreeks over in de zegeningen en vervloekingen van Deuteronomium 28, die het volk aangedaan zouden worden. Dus de regeerders en priesters werden verantwoordelijk gehouden voor de zegen en vloek (zie het artikel Zegen en vloek [075]). De berg Seïr of Edom heeft hier een eeuwigdurende haat tegen de kinderen van Israël. Dit probleem wordt herkend in Ezechiël 35, waar de twee naties Juda en Israël voor vernietiging worden gespaard.
Alvorens over de natie Edom te spreken en de poging tot vernietiging van Juda en Israël, behandelt Ezechiël eerst het priesterschap in Ezechiël 34. Dit is een veelzeggende veroordeling van het priesterschap.
Ezechiël 34:1-9 1 Het woord des HEREN kwam tot mij: 2 Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tot hen, tot die herders: zo zegt de Here HERE: wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden? 3 Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet; 4 zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij. 5 Zij raken verstrooid, omdat er geen herder is, en worden tot voedsel voor al het gedierte des velds; zo raken zij verstrooid. 6 Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel; over de gehele aarde zijn mijn schapen verstrooid zonder dat er iemand is die naar hen vraagt of ze zoekt. 7 Daarom, gij herders, hoort het woord des HEREN. 8 Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, omdat mijn schapen tot een prooi geworden zijn, omdat mijn schapen tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte des velds doordat er geen herder is (want mijn herders vragen niet naar mijn schapen; de herders weiden zichzelf, maar mijn schapen weiden zij niet) 9 daarom, gij herders, hoort het woord des HEREN. (NBG)
De herders horen zonder te luisteren. Zij lezen de Schriften, maar begrijpen niet.
Ezechiël 34:10 10 Zo zegt de Here HERE: Zie, Ik zal die herders! Ik eis mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen. De herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen. (NBG)
De herders zullen in het laatst der dagen niet door de kudde gevoed worden en zij zullen gedwongen worden om te werken omdat zij de kudde niet geweid hebben met voedsel in de juiste tijd. God zoekt en herstelt Zijn kudde.
Ezechiël 34:11-16 11 Want zo zegt de Here HERE: Zie, Ik zal zelf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien; 12 zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duisternis. 13 Ik zal ze midden uit de volken doen uittrekken, uit de landen bijeenvergaderen en ze naar hun eigen land brengen; Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de beekbeddingen en in alle bewoonde streken van het land. 14 In een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij zich legeren op een goede weideplaats en zullen zij in een vette weide grazen, op de bergen van Israël. 15 Ik zelf zal mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van de Here HERE; 16 de verlorene zal Ik zoeken en de afgedwaalde terughalen; de gewonde zal Ik verbinden en de zieke versterken, maar de vette en krachtige zal Ik verdelgen. Ik zal ze weiden zoals het behoort. (NBG)
Hier zien wij dat de herders veroordeeld worden en dat vervolgens de kudde tegen elkaar geoordeeld wordt. De uitverkorenen worden geoordeeld, in hoe zij elkaar behandelen.
Ezechiël 34:17-28 17 En gij, mijn schapen, zo zegt de Here HERE, zie, Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen de rammen en de bokken. 18 Is het u niet genoeg, dat gij de beste weide afweidt en de rest van de weiden met uw hoeven vertreedt; dat gij het helderste water drinkt en wat overblijft met uw hoeven vertroebelt? 19 Moeten mijn schapen dan afweiden wat uw hoeven hebben vertreden en drinken wat uw hoeven hebben vertroebeld? 20 Daarom, zo zegt de Here HERE tegen hen: Zie, Ik ga zelf rechtspreken tussen de vette en de magere schapen; 21 omdat gij al wat zwak is, met flank en schouder wegdringt en met de horens stoot totdat gij ze naar buiten gedreven hebt, 22 zal Ik mijn schapen verlossen, opdat zij niet langer tot een prooi zijn; Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere. 23 Dan zal Ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn. 24 Ik, de HERE, zal hun tot een God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de HERE, heb het gesproken. 25 Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten en het wild gedierte uit het land wegdoen, zodat zij veilig kunnen wonen in de steppe en slapen in de bossen. 26 Ik zal die, ja al wat rondom mijn heuvel ligt, tot een zegen stellen; Ik zal de regen doen neerdalen op zijn tijd, zegenbrengende regens zullen het zijn; 27 het geboomte des velds zal zijn vrucht geven en het land zijn opbrengst. Veilig zullen zij in hun land leven. En zij zullen weten, dat Ik de HERE ben, wanneer Ik de stangen van hun juk verbreek en hen bevrijd uit de macht van wie hen knechten. 28 Dan zullen zij de volken niet langer tot een prooi zijn; het wild gedierte der aarde zal ze niet meer verslinden, maar zij zullen veilig wonen, zonder dat iemand hen opschrikt. (NBG)
Het herstel is voor vrede en vrijheid, zonder vrees. Er zal voor hen een plantengroei opschieten (Stat. Vert. En Ik zal hun eene plant van naam verwekken). Deze plant is Messias die de kudde zal voeden en David zal hun vorst zijn onder Messias, die zijn Heer is.
Ezechiël 34:29-31 29 Ik zal voor hen een plantengroei doen opschieten, waarvan men overal spreekt, zodat niemand in het land meer door honger zal worden weggerukt en zij de smaad der volken niet langer te dragen hebben. 30 En zij zullen weten, dat Ik de HERE, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis Israëls, mijn volk zijn, luidt het woord van de Here HERE. 31 Gij toch zijt mijn schapen, de schapen die Ik weid; gij zijt mensen en Ik ben uw God, luidt het woord van de Here HERE. (NBG)
Het herstel van de eerste opstanding wordt hier genoemd omdat David over de kudde gesteld wordt na zijn wederkomst en herstel. Het verbond des vredes wordt in werking gesteld bij de wederkomst van Messias, de Vredevorst. De schande van de heidenen is die van de valse of Babylonische ordening die in het laatst der dagen zal vallen, zoals wij lezen in Openbaring 18:2 e.v.
Waar het om gaat tussen God en het priesterschap is het feit dat zij een valse ordening opgezet hebben, waarin God niet geëerd wordt. Dit is de Drie-ene ordening, die tracht om gelijkheid te zoeken met de Vader voor de twee andere bestaande zaken, in het bijzonder voor Messias en van hieruit de uitwerking van Gods wet te verminderen. Dit is duidelijk vanuit Maleachi 1:6-14.
Maleachi 1:6-14 6 Een zoon eert zijn vader en een knecht zijn heer. Indien Ik nu een vader ben, waar is de eerbied voor Mij? en indien Ik een heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HERE der heerscharen tot u, o priesters, die mijn naam veracht. En dan zegt gij: Waarmee verachten wij uw naam? 7 Gij brengt minderwaardige offerspijze op mijn altaar. En dan zegt gij: Waarmee hebben wij U minderwaardig behandeld? Doordat gij zegt: Des HEREN tafel, zij is verachtelijk. 8 Want, wanneer gij een blind dier ten offer brengt, is dat niet erg? Wanneer gij een kreupel of ziek dier brengt, is dat niet erg? Bied dat eens uw landvoogd aan; zal hij welgevallen aan u hebben of u goedgunstig gezind zijn? zegt de HERE der heerscharen. 9 Welnu, tracht maar God te vermurwen, dat Hij ons genadig zij! Uwerzijds is zo gehandeld; zal Hij dan iemand van u goedgunstig gezind zijn? zegt de HERE der heerscharen. 10 Was er maar iemand onder u, die de deuren sloot, opdat gij niet tevergeefs mijn altaar zoudt ontsteken! Ik heb geen welgevallen aan u, zegt de HERE der heerscharen, en in een offer van uw hand schep Ik geen behagen.11 Want van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, is mijn naam groot onder de volken, allerwege wordt mijn naam reukwerk gebracht en een rein spijsoffer, want groot is mijn naam onder de volken, zegt de HERE der heerscharen. 12 Maar gij ontheiligt hem door te zeggen: De tafel des HEREN, zij is minderwaardig, en wat zij oplevert, haar spijs, is verachtelijk. 13 En dan zegt gij: Zie, wat is het een moeite! Gij haalt er de neus voor op, zegt de HERE der heerscharen; gij brengt het geroofde, het kreupele en het zieke. Als gij dat offer brengt, zou Ik het uit uw hand met welgevallen aannemen? zegt de HERE. 14 Vervloekt is ook de bedrieger, die in zijn kudde een mannelijk dier heeft en die dat wel belooft, maar de HERE toch een ondeugdelijk dier ten offer brengt! Want een groot Koning ben Ik, zegt de HERE der heerscharen, en mijn naam is geducht onder de volken. (NBG)
Er is geen priester die de deur voor niets zou sluiten voor de afval. Zij vroegen betaling voor het onderwijs in het woord Gods en ontheiligden de Schriften en hun bedoeling door onderricht tegen betaling te geven. God zal geen aanzien des persoons voor hen hebben, hetgeen in feite hun ernstigste zonde was.
Profeten als deel van de priester ordening
Ezechiël 13:1-16 gaat over de valse profeten. Zij zijn deel van het priesterschap en komen met hen ten val. De kerken van het laatst der dagen zijn doordrenkt met valse profeten en valse profetie. Zij prediken veiligheid aan een misleide vergadering.
Ezechiël 13:1-9 1 Het woord des HEREN kwam tot mij: 2 Mensenkind, profeteer tegen de profeterende profeten Israëls en zeg tot hen die naar eigen inzicht profeteren: hoort het woord des HEREN. 3 Zo zegt de Here HERE: Wee de dwaze profeten, die hun eigen geest volgen, zonder iets geschouwd te hebben. 4 (Als vossen in bouwvallen zijn uw profeten, Israël). 5 Gij zijt niet op de bressen gaan staan en gij hebt geen muur opgetrokken om het huis Israëls, opdat het op de dag des HEREN zou kunnen standhouden in de strijd. 6 Bedrieglijke dingen en leugenachtige waarzeggerij hebben zij geschouwd, die zeggen: zo luidt het woord des HEREN, terwijl de HERE hen niet gezonden heeft; en dan wachten zij nog op de vervulling van het woord! 7 Hebt gij dan geen bedrieglijk gezicht geschouwd en leugenachtige waarzeggerij gesproken, toen gij zeidet: zo luidt het woord des HEREN, terwijl Ik niet gesproken had? 8 Daarom, zo zegt de Here HERE, omdat gij bedrieglijke dingen gesproken en leugen geschouwd hebt, daarom zie, Ik zal u! luidt het woord van de Here HERE. 9 Mijn hand zal zijn tegen de profeten die bedrieglijke dingen schouwen en leugen waarzeggen; tot de kring van mijn volk zullen zij niet behoren, in het boek van het huis Israëls niet ingeschreven worden, en in het land Israëls niet komen, en gij zult weten, dat Ik de Here HERE ben. (NBG)
De profeten schouwen in het laatst der dagen bedrieglijke dingen en leugens voor de vergadering en profeteren vrede voor Israël wanneer er geen vrede is. De straf voor deze valse profeten is dat zij verwijderd worden uit de vergadering van Israël, noch dat zij geschreven zullen worden in de Kronieken van het Huis Israëls.
Met andere woorden, de brieven en valse profetieën van het priesterschap der kerken in het laatst der dagen zullen geschrapt worden uit de brieven der Gemeente, en hun namen uit de registers van de vergadering. Met andere woorden, zij worden verwezen naar de tweede opstanding. Dit gaat op voor alle valse profeten en valse profetie in de Gemeente, die tracht een andere schuilplaats te maken dan die bij God.
Ezechiël 13:10-16 10 Omdat, ja omdat zij mijn volk hebben doen dwalen door te zeggen: vrede! zonder dat er vrede is -, als het een muur bouwt, zie, dan bepleisteren zij die met kalk; 11 zeg tot hen die met kalk pleisteren: toch zal hij vallen! Er zal een stromende regen komen, en gij, hagelstenen, zult neervallen, en een stormwind zal losbreken. 12 Als dan de muur gevallen is, zal dan niet tot u gezegd worden: waar is de kalk waarmee gij gepleisterd hebt? 13 Daarom, zo zegt de Here HERE, ja, Ik zal een stormwind doen losbreken in mijn grimmigheid en stromende regen zal er zijn in mijn toorn, en hagelstenen; In grimmigheid, tot verdelgens toe. 14 Ik zal de muur die gij met kalk bepleisterd hebt, neerhalen en ter aarde werpen, en zijn fundament zal worden blootgelegd; de stad zal vallen en gij zult daarin omkomen. En gij zult weten, dat Ik de HERE ben. 15 Zo zal Ik mijn grimmigheid ten volle uitstorten over de muur en over hen die hem met kalk bepleisteren, en Ik zal tot u zeggen: weg is de muur en weg zijn zij die hem bepleisterden: 16 de profeten van Israël, die tot Jeruzalem profeteerden en daarvoor een gezicht van vrede schouwden, zonder dat er vrede is, luidt het woord van de Here HERE. (NBG)
Deze valse profetie werd een muur, opgemetseld met kalk, en kon dus geen stand houden. Laat iedere dienaar van God er goed op letten hoe hij bouwt. Een slecht bouwwerk kan geen stand houden. Dat is de les aan het einde van de twintigste eeuw voor de Gemeente van God. Het gaat hierbij over zowel priesters als profeten.
God is tegen de profeten vanwege deze geest van valse profetie (Jeremia 23:30). Met de valse profeten wordt afgerekend. Zij verbeuren de bescherming van God en komen niet in de vergadering van God, wanneer zij gesteld worden tegenover de ware geest der profetie zoals wij zien uit Jeremia 20:3-6.
Jeremia 20:3-6 3 Doch toen Paschur Jeremia de volgende morgen uit het blok liet, zeide Jeremia tot hem: Niet Paschur noemt de HERE uw naam, maar Schrik-van-rondom. 4 Want zo zegt de HERE: Zie, Ik maak u tot een schrik voor uzelf en voor al uw vrienden; zij zullen door het zwaard van hun vijanden vallen, dat uw ogen het zien, en geheel Juda zal Ik overgeven in de macht van de koning van Babel; hij zal hen wegvoeren naar Babel, hen slaan met het zwaard; 5 heel het bezit van deze stad, al haar have en al haar waardevol bezit, met al de schatten der koningen van Juda, zal Ik geven in de macht van hun vijanden, die ze zullen buitmaken en medenemen en brengen naar Babel. 6 En gij, Paschur, en al uw huisgenoten, zult in gevangenschap gaan; gij zult in Babel komen, daar sterven en daar begraven worden, gij en al uw vrienden voor wie gij vals hebt geprofeteerd. (NBG)
Jeremia veranderde de naam Paschur, hetgeen Aramees is, door het in het Hebreeuws uit te leggen, zoals Jesaja ook deed in Jesaja 8:1, 3. Het Aramese woord is gebaseerd op het woord pash blijven of verblijven en gur zwerven of verblijven in een vreemd land. Het Aramees is sehor; het Hebreeuwse is sabib. Vandaar dat de tekst wordt uw naam zal niet blijven, maar rondzwerven. Dit wordt veroorzaakt door panische angst.
De profeten en priesters die niet getrouw blijven, worden overgegeven aan de hoer of de valse ordening van de Babylonische mysteries. De bedwelming door wijn is zowel fysiek als geestelijk.
Jesaja 28:7-13 7 En ook dezen waggelen van wijn en tuimelen van bedwelmende drank: priester en profeet waggelen van bedwelmende drank, zijn verward door wijn, tuimelen van bedwelmende drank, waggelen bij een gezicht, wankelen bij een rechtspraak. 8 Ja, alle tafels zijn vol walgelijk braaksel, geen plek is er over. 9 `Wie wil hij kennis leren en wie wil hij een openbaring doen verstaan? Hun die van de melk gespeend, aan de borst ontwend zijn? 10 Want het is wet op wet, wet op wet, eis op eis, eis op eis, hier wat, daar wat.' 11 Voorwaar, door mensen die een onverstaanbare taal spreken, en in een vreemde tongval zal tot dit volk spreken Hij, die tot hen gezegd heeft: 12 Dit is de rust, geeft de vermoeide rust, en dit is de verademing. Maar zij wilden niet horen. 13 Zo zal voor hen het woord des HEREN zijn: wet op wet, wet op wet, eis op eis, eis op eis, hier wat, daar wat, opdat zij bij hun gaan achterwaarts struikelen en te pletter vallen, verstrikt en gevangen worden. (NBG)
De wijn met de geest van hoererij is duidelijk in de ordening van de Babylonische hoer die de kerk is, dronken van het bloed der heiligen.
Openbaring 17:1-9 1 Een der zeven engelen die de zeven schalen droegen kwam tot mij en zeide: Kom mee, ik zal u tonen hoe het vonnis voltrokken wordt aan de grote hoer, die aan veel wateren woont, 2 met wie de koningen der aarde hebben gehoereerd, en door den wijn van wier hoererij de bewoners der aarde dronken zijn geworden. 3 Toen bracht hij mij door den Geest weg naar een woestijn. Daar zag ik een vrouw zitten op een scharlakenrood beest vol godslasterlijke namen, met zeven koppen en tien horens. 4 De vrouw was gekleed in purper en scharlakenrood, schitterend getooid met goud, edelgesteenten en paarlen; een gouden beker droeg zij in de hand, vol verfoeiselen en onreinheid harer hoererij; 5 op haar voorhoofd was een naam geschreven, een geheimzinnige: Het grote Babylon, de moeder van de hoeren en de verfoeiselen der aarde. 6 Ik zag dat die vrouw dronken was van het bloed der heiligen en der getuigen van Jezus. Toen ik haar zag, was ik bovenmate verbaasd. 7 Maar de engel zeide tot mij: Waarom verbaast gij u? Ik zal u verklaren het raadsel van die vrouw, van het Beest dat haar draagt, dat de zeven koppen en de tien horens heeft.8 Het Beest dat gij zaagt was er en is er niet; het staat op het punt uit den Afgrond op te komen en gaat zijn verderf tegemoet. De bewoners der aarde, zij wier namen niet voor de grondlegging der wereld geschreven zijn in het boek des levens, zullen zich verbazen wanneer zij het Beest zien dat er was en er niet is, maar er zal wezen. 9 Hier komt het vernuft dat inzicht heeft te stade. De zeven koppen zijn de zeven bergen waarop de vrouw zit. (LEI)
Deze hoer is de doorsnee kerk van de Christelijke ordening en is dronken van het bloed van de heiligen die zij vermoord heeft. Deze heiligen zijn zij die de geboden van God gehoorzamen en het getuigenis van Jezus hebben.
De natie wordt aan vernietiging overgegeven vanwege de ongerechtigheid van het priesterschap.
Jesaja 56:9-12 9 Alle gedierte des velds, komt om te eten, alle gedierte in het woud! 10 De wachters zijn blind, zij allen hebben geen kennis, zij zijn allen stomme honden, die niet kunnen blaffen; dromend liggen zij neer, zij hebben de sluimering lief. 11 En deze honden zijn vraatzuchtig, zij kennen geen verzadiging; zij zijn herders, die niet weten acht te geven, zij wenden zich allen naar hun eigen weg, ieder naar zijn gewin, niemand uitgezonderd. 12 Komt, zeggen zij: ik zal wijn halen en laten wij bedwelmende drank zwelgen, en de dag van morgen zal zijn als die van vandaag, nog veel geweldiger. (NBG)
Het priesterschap wordt vergeleken met stomme honden en blinde wachters. Zij hebben geen begrip omdat zij God niet vrezen of Zijn geboden onderhouden.
Ons volk wordt gevoed met bedrog en gaat ten gronde door de priesters en hun levenswijze.
Jesaja 5:11-13 11 Wee hun die reeds des morgens vroeg bedwelmende drank zoeken; die laat in de nacht opblijven, terwijl de wijn hen verhit. 12 Dan bestaat hun feest in citer en harp, tamboerijn, fluit en wijn, maar op het doen des HEREN letten zij niet en het werk zijner handen zien zij niet. 13 Daarom gaat mijn volk in ballingschap wegens gemis aan begrip, zijn edelen worden hongerlijders, en zijn menigte versmacht van dorst. (NBG)
De ordening gaat ook over de feesten en de wijze van aanbidding. Wanneer de priesters de Here vergeten hebben en Zijn kinderen misleiden, zo zal Hij ook hun kinderen vergeten.
Hosea 4:1-6 1 Hoort het woord des HEREN, gij Israëlieten, want de HERE heeft een rechtsgeding met de bewoners van het land, omdat er geen trouw, geen liefde en geen kennis Gods is in het land. 2 Vloeken, liegen, moorden, stelen en echtbreken! Men pleegt geweld, bloedbad volgt op bloedbad. 3 Daarom treurt het land, en al wat erin woont verkwijnt, zowel het gedierte des velds als het gevogelte des hemels; ja, zelfs de vissen der zee komen om. 4 Laat maar niemand een aanklacht inbrengen en laat maar niemand een terechtwijzing uiten, aangezien mijn aanklacht u geldt, o priester! 5 Gij zult struikelen bij dag, en met u zal ook de profeet struikelen bij nacht, en verdelgen zal Ik uw moeder. 6 Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u, dat gij geen priester meer voor Mij zult zijn; daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten. (NBG)
Deze uitdrukkelijke waarschuwing is omdat de priesters tegen de wet leren. Zij zeggen dat deze niet langer geldig is.
Jesaja 5:18-24 18 Wee hun die de ongerechtigheid tot zich trekken met koorden van valsheid en de zonde als met een wagentouw; 19 die zeggen: Hij haaste Zich, Hij volvoere snel zijn werk, opdat wij het zien; het raadsbesluit van de Heilige Israëls nadere en kome, opdat wij het leren kennen. 20 Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad; die duisternis voorstellen als licht en licht als duisternis; die bitter doen doorgaan voor zoet en zoet voor bitter. 21 Wee hun die in eigen oog wijs zijn en in eigen oordeel verstandig. 22 Wee hun die helden zijn in het drinken van wijn en dapperen in het mengen van bedwelmende drank; 23 die voor een geschenk de schuldige vrijspreken en de rechtvaardige zijn gerechtigheid ontnemen. 24 Daarom zal, zoals een vuurtong stoppelen verteert en brandend stro ineenzinkt, hun wortel als molm worden en hun bloesem als stof opstuiven, omdat zij de wet van de HERE der heerscharen verworpen en het woord van de Heilige Israëls hebben versmaad. (NBG)
De verwerping van de wet heeft tot gevolg dat het begrip voor goed en kwaad verloren gaat.
Zowel de priester als de profeet ontheiligen het Huis des Heren (Jeremia 23:11-40). De profeten maken de ongerechtigheden van Sion niet bekend.
Klaagliederen 2:14 Uw profeten hebben voor u geschouwd wat ijdel was en hol, zij hebben uw ongerechtigheid niet onthuld om uw lot nog te keren, zij hebben voor u orakels geschouwd, ijdel en misleidend. (NBG)
Deze zelfde valse profeten zien geen problemen voor de kerken van het laatst der dagen. De Here echter zal Israël herstellen als een vredig einddoel.
Jeremia 29:8-14 8 Want zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Laten uw profeten die in uw midden zijn, en uw waarzeggers u niet misleiden, en luistert niet naar uw dromers, die gij laat dromen; 9 want zij profeteren u vals in mijn naam; Ik heb hen niet gezonden, luidt het woord des HEREN. 10 Want zo zegt de HERE: Neen, als voor Babel zeventig jaren voorbij zullen zijn, dan zal Ik naar u omzien en mijn heilrijk woord aan u in vervulling doen gaan door u naar deze plaats terug te brengen. 11 Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des HEREN, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven. 12 Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen; 13 dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart. 14 Dan zal Ik Mij door u laten vinden, luidt het woord des HEREN, en in uw lot een keer brengen; dan zal Ik u verzamelen uit alle volkeren en van alle plaatsen waarheen Ik u verstoten heb, luidt het woord des HEREN, en u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren. (NBG)
Mozes stond in de bres tussen God en Israël om Gods grimmigheid af te wenden (Psalm 106:23), maar deze valse priesters houden geen stand voor Israël zoals Mozes heeft laten zien, noch staan zij in de bres tegen het kwaad voor Israël (Ezechiël 13:5).
Ezechiël 22:30 30 Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden. (NBG)
De valse profeten zeggen in werkelijkheid dat de uitverkorenen in een plaats van veiligheid zullen zijn op de dag van de strijd des Heren. Er is niemand die in de bres wil staan.
Ezechiël 22:30 30 Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden. (NBG)
In Jeremia 23:11-40 zien wij dat de Here tegen valse profeten is (vers 30, 31, 32). De vergelijking tussen deze teksten is als volgt gezien: vers 11 zie Sefanja 3:4; vers 12 zie Jeremia 11:23; vers 13 zie Jesaja 9:16; de verzen 17, 22 laten zien dat de valse profeten het kwaad aanmoedigen en degenen zijn die God en Zijn wetten verachten.
De boodschap van het laatst der dagen zal niet in het Hebreeuws gegeven worden, maar door vreemde lippen en met een zware tongval.
De priesters die in het laatst der dagen falen zullen overgegeven worden aan de ordening van het beest en de Babylonische Mysteriën. Zij worden verwijderd om de verschrikking onder ogen te zien, die door Jeremia genoemd wordt. Zij worden niet opgetekend in de Kronieken van het Huis Israëls.
Ezra 2:59-62 59 En dit zijn degenen die optrokken uit Tel-melach, Tel-charsa, Kerub, Addan en Immer (zij konden echter niet aantonen, of hun familie en nakomelingschap tot Israël behoorden): 60 de zonen van Delaja, de zonen van Tobia, de zonen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig; 61 en van de priesterzonen: de zonen van Chobaja, de zonen van Hakkos, de zonen van Barzillai, die een van de dochters van de Gileadiet Barzillai tot vrouw genomen had en naar hun naam genoemd was. 62 Dezen zochten naar het schriftelijk bewijs, dat zij ingeschreven waren in het register, maar daar zij er niet in te vinden waren, werden zij van het priesterschap uitgesloten, (NBG)
Dit wordt weer bevestigd in Nehemia 7:5.
Nehemia 7:5 5 Toen gaf mijn God mij in het hart, de edelen, de leiders en het volk te doen bijeenkomen, om zich in de registers te laten inschrijven. En ik vond het register van hen die het eerst opgetrokken waren, en ik vond daarin geschreven: (NBG)
Dus het register wordt bijgehouden voor het priesterschap.
De ontheiliging door het Levitische priesterschap werd beantwoord met uitsluiting. Hoeveel te meer is de straf voor het priesterschap van Melchisedek, welks enige recht voor aanvaarding de reinheid van hun roeping is? Zij worden dus allen met elkaar uitgesloten tot aan de tweede opstanding.
God is bedroefd over de priesters omdat zij de vergadering hebben verwoest en de schapen verstrooid.
Jeremia 10:20-25 20 Mijn tent is vernield en al mijn koorden zijn losgerukt; mijn kinderen zijn van mij weggegaan en zijn er niet; geen is er meer, die mijn tent spant, mijn tentkleden opricht. 21 Want verdwaasd zijn de herders, de HERE zoeken zij niet; daarom hebben zij geen verstand en is heel hun kudde verstrooid. 22 Hoor een gerucht! Zie, het komt! Een groot geraas uit het Noorderland, om de steden van Juda te maken tot een woestenij, een verblijfplaats van jakhalzen. 23 Ik weet, o HERE, dat het niet aan de mens staat zijn weg te kiezen, noch aan een man om te gaan en zijn schreden te richten. 24 Tuchtig mij, HERE, doch naar recht; niet in uw toorn, opdat Gij mij niet te gering maakt. 25 Stort uw gramschap uit over de volken die U niet kennen, over de geslachten die uw naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob verslonden, ja, verslonden en verteerd, en zij hebben zijn dreve tot een woestenij gemaakt. (NBG)
De tent van God is de Tabernakel of de Tempel van God, en dat zijn de uitverkorenen. De tent kan niet opgezet worden voor de passende aanbidding. De kinderen Gods zijn verstrooid vanwege de herders.
Vanwege deze verwaarlozing van de broeders zullen de pastors geen voorspoed genieten. De pastors werden gewelddadig omdat zij geen vreze Gods hadden en zodoende verloren zij hun wijsheid en begrip.
Psalm 111:10 10 De vreze des Heren is het begin der wijsheid, een goed inzicht hebben allen die ze betrachten. Zijn lof houdt eeuwig stand. (NBG)
De vermindering van het gezag der geboden door het priesterschap verwijst hen naar de tweede opstanding. Zij zullen de drek van de feesten, wat in feite de drek van de korban of de mest van de offers in hun gezicht gesmeerd
krijgen. Dit zijn de slachtoffers die de 144.000 vormen. Men zal het priesterschap wegnemen op één van de feesten. Dit is een raadselachtige profetie die van toepassing is op de verwijdering van het priesterschap in beide fasen van de Messiaanse ordening. De eerste maal dat dit gebeurde was in 30/31 met Messias. De tweede maal zal zijn in het laatst der dagen voor de Wederkomst, wanneer de gehele bediening valt.Maleachi 2:1-9 1 Nu dan, u geldt, o priesters, deze aanzegging: 2 Indien gij niet hoort, en indien gij het niet ter harte neemt mijn naam eer te geven, zegt de HERE der heerscharen, dan zal Ik onder u een vloek zenden en uw zegeningen in vloek verkeren; ja, Ik heb ze reeds in vloek verkeerd, omdat gij het niet ter harte genomen hebt. 3 Zie, Ik zal uw nakroost bedreigen en vuil op uw gelaat werpen, het vuil uwer feesten, ja, men zal u daarheen slepen. 4 Dan zult gij inzien, dat Ik u deze aanzegging gezonden heb, opdat mijn verbond met Levi besta, zegt de HERE der heerscharen. 5 Mijn verbond met hem was: leven en vrede; Ik heb ze hem gegeven tot godsvrucht, opdat hij Mij zou vrezen en voor mijn naam beven. 6 Betrouwbaar onderricht in de wet was in zijn mond en ongerechtigheid werd op zijn lippen niet gevonden. In vrede en in oprechtheid wandelde hij met Mij en velen bracht hij van ongerechtigheid terug. 7 Want de lippen van de priester bewaren kennis en uit zijn mond zoekt men onderricht in de wet, want een bode van de HERE der heerscharen is hij. 8 Gij evenwel zijt van de weg afgeweken; gij hebt door het onderricht in de wet velen doen struikelen; gij hebt het verbond met Levi verdorven, zegt de HERE der heerscharen. 9 Zo maak Ik u ook tot verachten en vernederden voor het gehele volk, omdat gij mijn wegen niet onderhoudt en bij het onderricht in de wet de persoon aanziet. (NBG)
Zij zijn ontheiligd omdat zij God niet vrezen.
Maleachi 3:5 Ik zal tot u ten gerichte naderen; Ik zal een snelle aanklager zijn tegen de tovenaars, tegen de echtbrekers, tegen de meinedigen, tegen hen die het loon van de dagloner drukken, weduwe en wees verdrukken, en de vreemdeling terzijde dringen, maar Mij niet vrezen, zegt de HERE der heerscharen. (NBG)
Het oordeel des Heren is ook tegen de mensen die afvallen door de priesters en de mysteriën of de toverijen. Ezechiël gaat verder vanaf 13:17, nadat de profeten veroordeeld zijn, om direct af te rekenen met de tovenaressen die een grote doorn in de zijde van Israël geweest zijn door heel zijn geschiedenis heen.
Ezechiël 13:17-23 17 En gij, mensenkind, richt u tegen de dochters van uw volk, die naar eigen inzicht profeteren; profeteer tegen haar, 18 en zeg: Zo zegt de Here HERE: wee haar, die toverbanden binden om alle polsen en die sluiers winden om het hoofd van groot en klein, om zielen te vangen! Zoudt gij zielen vangen van mijn volk en uw eigen zielen in het leven behouden? 19 Gij ontheiligt Mij bij mijn volk voor handen vol gerst en voor brokken brood, om zielen te doden die niet sterven moesten, en om zielen in het leven te behouden, die niet moesten blijven leven, doordat gij mijn volk beliegt, dat naar leugen hoort. 20 Daarom, zo zegt de Here HERE, zie, Ik keer Mij tegen uw toverbanden, waarmee gij de zielen als vogels vangt, Ik zal ze van uw armen rukken, en de zielen vrijlaten, die gij als vogels vangt. 21 Ik zal uw sluiers verscheuren en mijn volk uit uw hand redden, het zal niet langer tot een prooi in uw handen zijn. En gij zult weten, dat Ik de HERE ben. 22 Omdat gij het hart van de rechtvaardige bedroefd hebt met leugen, terwijl Ik hem geen smart aandeed, en de handen van de goddeloze gesterkt hebt, opdat hij zich niet van zijn boze weg zou bekeren en leven, 23 daarom zult gij niet langer bedrieglijke dingen schouwen en waarzeggerij plegen; Ik zal mijn volk uit uw hand redden. En gij zult weten, dat Ik de HERE ben. (NBG)
Deze vorm van toverij komt uit de Babylonische ordening en heeft te maken met sterrenwichelarij en alle andere vormen van occultisme. Valse profetessen hebben Israël lang tot dwaling gebracht. De schadelijkste hebben zich voorgedaan als engelen des lichts in de Gemeente van God. Dit zijn zij die de Gemeente in het laatst eeuw scheurden door de valse profetes Ellen G. White te volgen.
Het morele verval van de mensen is recht evenredig met het gebrek aan ijver van het priesterschap en de profeten. Het morele verval onder Achaz was het rechtstreekse gevolg van de laksheid van het priesterschap.
2Kronieken 28:19 Want de HERE vernederde Juda om Achaz, de koning van Israël, daar deze de tuchteloosheid in Juda bevorderd had en zeer ontrouw geworden was jegens de HERE. (NBG)
Dit zal bestudeerd worden in Deel 3 - De verwijdering van de vorsten.
De offers van het priesterschap moeten rein zijn voor God.
Haggai 2:11-14 11 Zo zegt de HERE der heerscharen: Vraag toch de priesters om onderricht in de wet, 12 en zeg: wanneer iemand heilig vlees in de slip van zijn kleed draagt en hij raakt met zijn slip brood, moes, wijn, olie of enige andere spijs aan, wordt dit dan heilig? De priesters antwoordden: Neen. 13 En Haggai zeide: Indien iemand onrein geworden door een lijk, iets van al deze dingen aanraakt, wordt het dan onrein? De priesters antwoordden: Het wordt onrein. 14 Toen antwoordde Haggai: Zo staat het met dit volk en zo staat het met deze natie voor mijn aangezicht, luidt het woord des HEREN, en zo staat het met al het werk van hun handen, en wat zij daar offeren, dat is onrein. (NBG)
Het priesterschap was onrein door de Babylonische ordening en de Drie-ene god. Wat zij offeren is onrein en zo is het ook met dit volk. God zal Israël eens en voor altijd reinigen van deze ketterij en deze ordening. Babylon zal vallen en voor altijd vallen (Openbaring 18:2 e.v.).
De oudsten worden aangespoord en de belofte van hun beloning gegeven. Zij moeten zich bekeren.
Petrus spoort de uitverkorenen aan opdat zij waardig bevonden mogen worden om voor Messias te staan.
1Petrus 5:1-4 1 Als een die onder u een oudste en getuige van Christus' lijden is, een deelgenoot der heerlijkheid die geopenbaard zal worden, vermaan ik dus uw oudsten: 2 Weidt de kudde Gods in wier midden gij leeft, niet gedwongen maar vrijwillig, zoals het God behaagt, niet uit snode winzucht maar uit toegenegenheid, 3 niet als dwingelanden der gemeente maar als voorbeelden der kudde. 4 Dan zult gij, wanneer de opperherder verschijnt, den onverwelkelijken krans der eer ontvangen. (LEI)
Deel 3 - De Tempel gemeten - Verwijdering van de vorsten
Het koninkrijk werd gevestigd in Israël vanwege het falen van de Richteren om billijkheid van hun kant van het bestuur te verzekeren en het gebrek aan geloof in God onder het volk om Zijn bestuurder de natie te bevestigen in een rechtvaardig oordeel. Zij wensten een lijn van opvolging dat zij konden vastnagelen en beheersen. Zij lieten het niet aan het vertrouwen over dat de Heer weer een Richter zou verwekken, volgend op de dood van de vorige van uit het midden van het volk. Zij dachten niet dat God de harten kon onderscheiden van Zijn volk om te zien, welke Richter, begiftigd met Zijn Heilige Geest, berouw kon hebben, veranderen en het volk leiden. Daarom werd het koningschap gevestigd. Een belangrijke fout bij de Richteren was dat zij niet hun eigen gezinnen bestuurden. Eli was Richter in Israël maar hij bestuurde zijn zonen niet. En Samuel was Richter in Israël en bestuurde zijn zonen niet. Deze beide Richters, de laatste twee Richteren in Israël, droegen bij aan de afval ten tijde van de Richteren, omdat hun zonen ongerechtigheid pleegden en niet door hun vaders werden vermaand. Het koningschap werd een noodzaak in de ogen van het volk omdat het volk geen vertrouwen in God had, dat Hij de onrechtvaardige priesters zou verwijderen.
Hoewel God zelfs de twee zonen van Aäron gedood had wegens ongerechtigheid, had Israël geen vertrouwen, dat Eli’s zonen, die ook gedood werden, dat dit door God bestuurd zouden zijn. Zij hadden Samuëls zonen als het derde voorbeeld en zij wilden niet op God vertrouwen dat Hij deze twee andere ook zou verwijderen, of in God, dat Hij een Richter zou aanstellen. Wanneer een Richter macht gegeven werd, werden zijn zonen in het bestuur gebruikt, maar als zij God niet gehoorzaamden, werden zij gedood. De zonen erfden geen ambt van Richter. Daarom is het zo, dat wanneer God oudsten in de Gemeente neemt, dat hun zonen niet het ambt van Richter beërven. Daarom keerde het volk zich van God af en zondigde en vroeg om het koningschap. Deze ontwikkeling werd echter door God toegelaten zodat Israël dan kon leren en het koningschap kon dan door Messias opgenomen worden als zijn erfdeel in Juda. Mozes had in de wet voorzien voor een koningschap. Hoewel er geen enkel zicht of uitzicht was op een koning liet Mozes een clausule in de wet, die voorzag in de aanstelling van een koning.
1Samuel 8:1-5 1 Toen Samuel oud geworden was, stelde hij zijn zonen aan tot richters over Israël. 2 De naam van zijn eerstgeboren zoon was Joël, die van de tweede Abia; zij waren richters te Berseba. 3 Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; zij waren op winstbejag uit, namen geschenken aan en bogen het recht. 4 Daarom kwamen alle oudsten van Israël bijeen; zij gingen naar Samuel in Rama 5 en zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden en uw zonen wandelen niet in uw wegen; stel nu een koning over ons aan om ons te richten, als bij alle andere volken. (NBG)
1Samuel 8:6-9 6 Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons te richten, mishaagde dat aan Samuel, en hij bad tot de HERE. 7 De HERE zeide tot Samuel: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet u hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn. 8 Juist zoals zij gedaan hebben van de dag af, toen Ik hen uit Egypte leidde, tot op de huidige dag, dat zij Mij hebben verlaten en andere goden gediend, zo doen zij nu ook tegen u. 9 Nu dan, luister naar hen, maar waarschuw hen ernstig en zeg hun aan, hoe het optreden zal zijn van de koning die over hen regeren zal. (NBG)
Zij hadden geen vertrouwen in God. Zij gingen hun vertrouwen stellen in een man met wie zij konden spreken omdat zij niet tot God spraken. Zij hadden geen persoonlijke relatie met God in Israël. Niemand in Israël had dit behalve Samuel.
In de dagen der Richteren deed een ieder wat recht was in zijn eigen ogen maar zij waren doodsbang voor Samuel omdat hij de Urim en de Tummim had en God bij monde van hem sprak. Samuel was profeet van God en hij had de macht van godsspraak. Hij was een ziener. Alleen af en toe staat er een priester op in Israël met de macht van de Urim en Tummim: met de macht van profetie en godsspraak. De plechtige waarschuwing aan de natie was dat zij zouden beseffen wat het betekent om God te verwerpen en op menselijk bestuur te vertrouwen.
1Samuel 8:10-22 10 En Samuel sprak al de woorden des HEREN tot het volk, dat hem om een koning gevraagd had 11 en hij zeide: Zo zal het optreden zijn van de koning die over u regeren zal: uw zonen zal hij nemen en hen dienst laten doen bij zijn wagens en bij zijn paarden, en zij zullen voor zijn wagen uit lopen; 12 hij zal hen aanstellen als oversten over duizend en oversten over vijftig; zij zullen zijn akkerland ploegen en zijn oogst binnenhalen; zijn wapens en wagentuig zullen zij vervaardigen. 13 Uw dochters zal hij nemen als zalfbereidsters, kooksters en baksters. 14 Verder zal hij van uw akkers, wijngaarden en olijftuinen de beste nemen en aan zijn dienaren geven; 15 van uw koren en de opbrengst van uw wijngaarden zal hij tienden nemen en aan zijn hovelingen en aan zijn dienaren geven. 16 Uw slaven, slavinnen, de beste van uw jonge mannen, en uw ezels zal hij nemen en gebruiken voor zijn werk. 17 Van uw kleinvee zal hij tienden nemen, en zelf zult gij hem tot slaven zijn. 18 Te dien dage zult gij jammeren over uw koning die gij u gekozen hebt, maar de HERE zal u te dien dage niet antwoorden.
19
Het volk weigerde echter naar Samuel te luisteren en zij zeiden: Neen, toch moet er een koning over ons zijn; 20 dan zullen ook wij zijn als alle andere volken; onze koning zal ons richten, voor ons uitrukken en onze oorlogen voeren. 21 Samuel hoorde al de woorden van het volk en bracht ze aan de HERE over. 22 De HERE zeide tot Samuel: Luister naar hen en stel een koning over hen aan. Toen zeide Samuel tot de mannen van Israël: Gaat heen, een ieder naar zijn stad. (NBG)Deze Jehova die met Samuel sprak is Jezus Christus. Samuel hoorde niet de Heer der Heerscharen (God de Vader) spreken. Niemand heeft ooit zijn stem gehoord. Wij weten dit uit Johannes 1:18 en 1Timoteüs 6:16. Niemand heeft God ooit gezien, of Zijn stem gehoord, of kan Hem ooit zien.
Het probleem is hier duidelijk. Het volk van Israël wilde een zichtbaar hoofd om voor hen te strijden. Zij vertrouwden op het stoffelijke en niet het geestelijke. In zeker zin kan men hen niet de schuld geven omdat zij niet de Heilige Geest hadden zoals wij die hebben. Zij konden de legers van de Heer rond Israël niet zien. Dat is precies dezelfde gemoedstoestand van het hedendaagse Israël. Zij willen niet op God vertrouwen; zij willen op de grote bom vertrouwen. En deze mensen wilden een grote koning. Zij wilden iemand die voor hen ging en hun strijd streed.
1Samuel 9:14-17 17 Zij gingen dan naar de stad, en toen zij de stad ingingen, kwam Samuel juist naar buiten, hun tegemoet, om de hoogte op te gaan. 15 De HERE nu had een dag voor de komst van Saul aan Samuel geopenbaard: 16 Morgen om deze tijd zal Ik een man uit het land van Benjamin tot u zenden; hem zult gij tot vorst over mijn volk Israël zalven en hij zal mijn volk verlossen uit de